

Sporters willen mentale steun bij Spelen






Door onze redacteur HANS KLIPPUS 


ROTTERDAM, 20 DEC. Een aantal
Nederlanderse deelnemers heeft tijdens de afgelopen Olympische Spelen de
hulp van een mentale begeleider gemist. Dat is een van de uitkomsten van
een enquecirc;te onder de sportmensen die in Atlanta hebben meegedaan. De
vragenlijst werd door 140 sporters ingevuld. Opmerkelijk was het dat
liefst 42 procent van hen de mentale kracht van hun concurrenten groter
inschatte.


Over het algemeen zijn, zo blijkt uit de enquecirc;te, de Nederlanders
tevreden uit Atlanta teruggekeerd. Er werden daar dan ook negentien
medailles behaald en door de successen in de teamsporten viel een kwart
van de totale oranje-delegatie in de prijzen. Dat vergde wel de nodige
opoffering. De meeste olympische sporters trainden in de voorbereiding
op Atlanta 21 tot 30 uur in de week. Zes van de geeuml;nquteerden
kwamen zelfs tot meer dan veertig uur. Dat zorgde bij velen voor
vertraging van hun studie.

Bij 38 procent van de atleten zijn de prestaties in Atlanta door
omstandigheden negatief beiuml;nvloed. Dat ging bij de meesten om een
blessure of ziekte, maar acht sporters hebben bijvoorbeeld ,,onvoldoende
voorbereiding op de gang van zaken tijdens de
Olympische Spelen'' genoemd. Drie sporters ondervonden nadelige gevolgen
van een late selectie. Twee mensen zagen het gedrag van hun coach als
negatieve invloed en eacute;&eacute;n het feit dat zijn of haar coach
niet fit bleek te zijn. Eeacute;n iemand noemde ,,de eigenzinnigheid
van de partner''.

De olympische enquecirc;te is een onderdeel van het rapport 'Internationale
succesverschillen in de topsport', dat M. Eising in opdracht van NOC*NSF
schreef als doctoraalscriptie sociologie. De auteur is zelf atleet en
haalde vorig jaar de finale van het Nederlands kampioenschap op de 400 meter har
dlopen.

Eising vergeleek in het eerste deel van zijn rapport de Nederlandse
sportsituatie met die in andere kleine en in Atlanta ook succesvolle
landen, Cuba, Hongarije en Noorwegen. Ook bekeek hij de gang van zaken
in de voormalige DDR en in buurland Belgieuml;. Cuba (24 medailles) en
Hongarije (21 medailles) eindigden bij de laatste Olympische Spelen
hoger dan Nederland, hoewel ze minder inwoners hebben. Daarom vindt
Eising dat Nederland zich na Atlanta ook weer niet ,,te veel moet blind
staren op zijn relatieve prestaties''.

Als er een landenranglijst wordt samengesteld op basis van het aantal
medailles per miljoen inwoners staat Nederland dertiende met een
gemiddelde van 1,23. Dat is slechts eacute;&eacute;n plaats hoger dan
in het gewone klassement. Tonga staat op die ranglijst van 'relatief
succes' op de eerste plaats. De zilveren medaille van bokser Paea
Wolfgramm was daarvoor genoeg. Tonga heeft nog geen 100.000 inwoners.

Het koninkrijkje staat ook bovenaan in de klassering waarin de medailles
worden afgezet tegen het nationaal inkomen. Daarin wordt de medailleoogst van de
 rijke landen gerelativeerd. Eising maakt wel
de kanttekening dat Wolfgramm uit Tonga zich niet in zijn eigen land op
Atlanta heeft voorbereid, maar in Nieuw Zeeland. Het rapport maakt
duidelijk dat Nederland in vergelijking met de onderzochte
topsportmodellen uit Cuba, Hongarije en de voormalige DDR op drie
terreinen tekort komt. Naast financieuml;le middelen en het ontbreken
van een echte sportcultuur, is dat ook de talent-herkenning en
talent-ontwikkeling. Eising constateerde dat in Nederland vooral
aandacht wordt besteed aan ,,de al gearriveerde sporter''. Om in de
toekomst tot een sterkere positie op internationaal niveau te komen,
beveelt hij dan ook aan de mogelijkheden tot sporten op school uit te
breiden en sportleraren als ,,talent-herkenner'' op te laten treden. Hij
adviseert verder zo veel mogelijk gebruik te maken van de kennis en
ervaring van ex-topsporters.










