Iraanse coach kijkt verlangend naar smaragdgroen kunstgras
Door onze correspondent FLORIS VAN STRAATEN 
Het toernooi om de Champions
Trophy is ook bedoeld om de hockeysport in de breedte populairder te
maken. Coaches uit de hele wereld wisselen hun ervaringen uit. MADRAS,
12 DEC. Geconcentreerd tekent Kim Sang Ryul, bondscoach van hockeydwerg
Zuid-Korea, in zijn notitieboekje een spelsituatie na tijdens de
wedstrijd Duitsland-Australieuml;. Met zijn aantekeningen van de
wedstrijden tussen de hockeygroten der aarde om de Champions Trophy
kunnen de 1500 vrouwen en mannen die de sport in zijn land beoefenen
weer hun voordeel doen.
,,Wanneer wij eenmaal besluiten iets te doen'', glimlacht Ryul, ,,dan
doen we het ook grondig. We werken er hard voor en studeren veel. Dat is
onze natuur.'' De eerste vruchten van deze systematische benadering
heeft Zuid-Korea al geplukt. Bij de Olympische Spelen in Atlanta wonnen
de Koreaanse vrouwen verrassend een zilveren medaille. ,,Onze bond was
daar trouwens nog niet eens tevreden mee'', meldt Ryul. ,,Die had goud
gewild.''
De internationale hockeybond (FIH) heeft zijn hoop
vooral gevestigd op mensen als Ryul voor de verdere verbreiding van het
internationale hockey. Daarom is hij met een beperkt aantal coaches uit
andere landen uitgenodigd voor een seminar over technische en tactische
apecten van het spel, dat samenvalt met de strijd om de Champions Trophy
in Madras. Er zijn coaches uit erkende hockeylanden als Duitsland,
Australieuml; en Nederland, onder wie oud-international Carina
Benninga, maar ook uit minder ontwikkelde landen als Thailand, Macao en
Argentinieuml;.
Ook de Iraanse bondscoach Mohammed Dehkhoda, wiens land in totaal
drieduizend spelers telt, is van de partij. Met verlangende ogen kijkt
Dehkhoda steeds weer naar het smaragdgroene kunstgras in het stadion in
Madras. In Iran heeft men nog geen enkel kunstgrasveld. ,,Zolang we daar
niet over beschikken, heb ik ook geen enkele illusie dat we ons ooit
kwalificeren voor een wereldkampioenschap'', zegt de beminnelijke
Iranieuml;r, die het anders dan zijn Koreaanse collega niet nodig acht
gedetailleerde aantekeningen te maken van de
wedstrijden tussen de toplanden.
De meeste Iraanse hockeyers bedrijven hun sport in zalen, die door de
regering ter beschikking worden gesteld. Maar de hockeyers kunnen op
veel minder medewerking rekenen dan de worstelaars of de voetballers.
Gedurende het jaar spelen teams uit de verschillende provincies
niettemin in een gezamenlijke competitie. Af en toe worden toernooien
gehouden met teams uit de buurlanden Armenieuml;, Turkmenistan,
Tadzjikistan en Rusland.
In Iran hockeyen zelfs 150 jonge vrouwen. Volgens Dekhoda verzet de
streng islamitische regering in Teheran zich niet tegen het fenomeen
vrouwenhockey. In drie provincies spelen ze inmiddels tegen elkaar. ,,We
hopen volgend jaar met een damesteam aan de Islamitische Spelen in
Pakistan deel te nemen'', onthult de Iraanse coach.
In de Verenigde Staten is de toestand omgekeerd. Daar is hockey
uitsluitend een vrouwensport. Amerika telt honderdduizend meisjes en vrouwen, va
n wie de meesten op de universiteiten met het
spel in aanraking zijn gekomen. Amerikaanse mannen daarentegen achten
het beneden hun waardigheid om een typische vrouwensport te beoefenen en
kiezen, als het dan toch hockey moet zijn, voor ijshockey, maar liever
nog voor honkbal, American football of basketbal.
In totaal zijn 120 verschillende nationale hockeybonden aangesloten bij
de FIH. Sommige bonden zijn groot en relatief rijk, zoals de Koninklijke
Nederlandse Hockey Bond die in totaal zo'n 130.000 leden telt en een
infrastructuur met 400 astroturfvelden tot zijn beschikking heeft. De
meeste buitenlandse bonden zijn klein tot zeer klein.
,,De bond van de Solomon-eilanden telt bij voorbeeld slechts 20 leden'',
verklaart Phil Appleyard, de penningmeester van de FIH, die als enige op
de tribune in een plechtig donker pak is verschenen. ,,Van zulke kleine
bonden vragen we ook nauwelijks contributie. Voor 100 Zwitserse franken per jaar
 mogen ze lid blijven van de FIH.'' Ook Europa
telt de nodige ontwikkelingslanden op hockeygebied zoals Letland,
Moldova en ook Noorwegen. Vaak blijven zulke kleine bonden slechts
voortbestaan bij de gratie van een handvol enthousiastelingen. De bond
van Bahrain wordt bijvoorbeeld hoofdzakelijk gedreven door buitenlanders
die daar tijdelijk zijn gestationeerd. ,,Je staat ook dikwijls versteld
van de ondernemingslust van zulke kleine bonden'', zegt Appleyard. ,,Zo
strijden de Fiji-eilanden, Papua New Guinea en de Solomon-eilanden om
hun eigen Oceanieuml;-Cup. In het Golfgebied heeft men de Gulf-Cup.''
Naast alle enthousiasme van de eigen mensen in de kleine hockeynaties,
probeert de FIH met de geringe middelen die ze zelf tot haar beschikking
heeft de kleinere bonden te steunen. Dat gebeurt via cursussen voor
coaches en seminars zoals momenteel in Madras gebeurt. Andere
ontwikkelingshulp bestaat uit de zending van materieel als sticks,
ballen en keepersuitrustingen. ,,Als je hoort waar de collega's uit
andere landen dikwijls mee te kampen hebben'', zegt de Nederlandse coach
Sjef Peeters, ,,dan besef je dat Nederland met al zijn clubs en
faciliteiten werkelijk een hockeymekka is.''
