

Kasteelheer van de gewone mensen






Door Guido de Vries


Maastricht, woensdagochtend. Jean Nelissen (61) bekent dat hij zich een
dag eerder ,,vreselijk heeft zitten opwinden'' tijdens de Tourreportage
op de televisie. ,,Die neef van me, die Danny, het is niet te geloven'',
jammert de ouwe 'Neel' en hij laat een vloek ontsnappen. ,,Zondag sprak
ik hem nog via een satellietlijn van RTL 5. Ik zei: 'Pas op, het heeft
geen zin om je krachten nu al te verspelen. Blijf nou lekker in het
peloton zitten en wacht op de bergen. Je bent in Zwitserland met de
besten mee omhoog gegaan.' 'Ja, da's goed', riep hij terug. 'Attaqueren
leidt voorlopig tot niks.' Dat had-ie ook al van zijn vader gehoord.


,,Maar wat denk je? Gisteren, godverdomme, gaat-ie tograve;ch vooruit
koersen met nog een paar van die zotten. Ze nemen drie minuten. Saeco
krijgt het gat niet dicht, maar Cipollini huurt die mannen van Roslotto
in en het peloton rijdt naar die vier vluchters toe. Drie uur lang heeft
die neef van me zijn beste krachten vergooid. Aan het einde van de rit
zit-ie midden in de grote groep. Moe. Ineens lag-ie daar, met Rominger
en Bartoli. Fiets in tweeeuml;n, knie&euml;n kapot en tien minuten aan
zijn broek. Daacute;&aacute;g. Naar de kloten is zijn Tour. En hij was
in staat bij de eerste twintig te eindigen.''

Ome Jean loopt nog rood aan. Hij zit in zijn priveacute;-kantoor aan de
Wilhelminasingel, waar in het bijzonder advocaten, makelaars en
verstrekkers van hypotheken huizen. Voor het eerst sinds 29 jaar
vertoeft hij de maand juli niet in Frankrijk om voor zijn krant (De
Limburger) of de NOS (sinds 1971) verslag te doen van het grootste
wielerspektakel ter wereld. ,,Laatst ontmoette ik Toon Hermans'',
vertelt Nelissen. ,,Weet je wat die zei? 'Wat jammer Jean. Er zal een
stuk van mijn plezier bij de beleving van de Tour verdwijnen, nu jij
opstapt.' Dat meacute;&eacute;nde hij.''

Nelissen kan slechts gissen waarom het Tourdoek bij de NOS voor hem
viel. ,,Ik denk dat het zo is gegaan: een paar jaar geleden lag Mart
Smeets in het ziekenhuis met een darmaandoening. Toen bleef ik als enige
verslaggever over. De NOS-bazen realiseerden zich dat ik ook al 59 jaar
was. Dadelijk zitten we zonder, hebben ze gedacht. Dus begonnen ze
jongeren aan te trekken. Herbert Dijkstra voor het wielrennen en het
schaatsen. Aardige jongen, overigens. Hij is hier nog een paar dagen
geweest. Ik heb geprobeerd hem zo veel mogelijk voor deze Tour bij te
spijkeren. Ook kwam hij naast me zitten bij het kampioenschap van
Nederland. Ik heb hem wat trucs bijgebracht.''

Of hij de Ronde van Frankrijk mist? ,,Het dagelijkse gesleep met koffers
van hotel naar hotel in elk geval niet'', zegt hij. ,,De drukte aan de
streep, die 3.500 mensen van de media en de reclamemakers, evenmin.''
Trekkend aan een sigaartje: ,,Ik heb eigenlijk heel weinig tijd om de
Tour te missen. Elke dag kijk ik hier naar de Tourreportage, wegens mijn
dagelijkse column voor Radio 1. Verder ben ik de laatste weken
uitgebreid geiuml;nterviewd. Er is bijna geen krant of tijdschrift die
geen aandacht aan mijn vertrek besteedde.''

Nelissen heeft naar zijn zeggen ontdekt dat de Ronde van Frankrijk als
zomers mediaspektakel blijkbaar ,,schromelijk wordt onderschat''. ,,Want
anders kan het toch niet zo zijn dat een tv-journalist, die plotseling
niet meer naar de Tour gaat, zo'n lawine van emotionele reacties over
zich heen krijgt? Generaties zijn opgegroeid met mijn stemgeluid tijdens
de Tour. Die mensen vinden nu dat hun een speeltje is afgenomen.'' Hij
heeft honderden kaarten, tekeningen, telefoontjes en faxen ontvangen. Op Radio N
oord, vertelt hij, is vorige maand een
actie begonnen om hem alsnog naar de Tour te krijgen. Op straat is hij
,,talloze malen'' aangesproken, ,,zelfs door oude vrouwtjes, die met me
hadden te doen''.

In het bijzonder het vrouwelijk deel van de bevolking toont die
belangstelling, vervolgt Nelissen, ,,en daar kan ik me ook wel iets bij
voorstellen. Want ik was de verteller van anekdotes. Ik besef als geen
ander dat je niet vijf  zes uur aan een stuk kunt praten over
versnellingen, allerlei strategieeuml;n of technische informatie. Dat
komt de mensen de oren uit, zeker de dames. Ik probeerde het evenement
zo in de huiskamer te brengen, dat de kijkers zich er bij betrokken
voelden.''

Het grootste compliment kreeg Nelissen naar zijn zeggen van columnist
Hugo Camps van NRC Handelsblad. ,,Camps schreef: 'Nelissen
spreekt de taal van de armen.' Dat is ook altijd mijn
bedoeling geweest. Ik heb dan wel in een kasteel gewoond, maar ik ben
iemand van het gewone volk. En dat ben ik altijd gebleven. Mijn vader
werkte in de benzolfabriek van de Staatsmijnen.'' De tv-teksten moeten
geen moeilijke woorden bevatten, meent Nelissen, op wie veel kritiek is
geleverd. ,,Ik heb ook honderden fouten gemaakt, maar dat is misschien
wel mijn charme. Misschien begon ik iets te vaak over de grootmoeder van
Van Hooydonck. Daar heb ik me nooit iets van aangetrokken. Ik zou veel
minder commentaar in mijn leven hebben geoogst als ik voor een andere
aanpak had gekozen. Maar met mijn werkwijze heb ik blijkbaar veel mensen
een plezier gedaan. Achteraf, want dat wist ik zelf ook niet toen ik er
mee bezig was.''

Hij geeft een paar voorbeelden. ,,Gisteravond zegt de juffrouw van de
NOS-radio nadat ik mijn column over Zabel heb ingesproken: 'Nu is die renner voo
r mij gaan leven.' Ik had geschilderd hoe
die Zabel is opgegroeid in Oost-Berlijn. In een wijk, bestaande uit een
pure betonmassa, waar voor niemand enige hoop gloorde. En dat hij nu in
Una woont, in een luxueus huis, dat hij helemaal is verwesterd en in een
mooie luxe auto rijdt. Dat hij chique maatpakken draagt. En dat hij zijn
zoontje Rik heeft genoemd, naar de wielergrootheden Rik van Looy en Rik
van Steenbergen.''

Als Raul Alcala in beeld kwam, had Nelissen zijn verhaal klaar: ,,Dan
vertelde ik dat hij als tienjarige van huis was weggelopen, uit een
Mexicaanse sloppenwijk, en dat hij in lege goederenwagons door het land
trok. En dat hij in de bossen sliep, bij de indianen. Ik probeerde zo
coureurs meer kleur te geven. Wie er op kop rijdt, interesseert me in
feite niet zo heel veel. De mensen zijn heus wel in staat te zien wie
wie is. Het was niet mijn pakkie-an alles tot op de
millimeter nauwkeurig te omschrijven.''

Het wedstrijdverloop was meer het werk van Smeets, sinds 1973 Nelissens
collega-commentator in de Tour. Smeets leek Nelissen herhaaldelijk in
het openbaar tot de orde te roepen. Zoals eind vorige maand bij het
Nederlands kampioenschap. Op zeker moment zei Nelissen dat Breukink
deacute; ambassadeur was van zijn generatie. Prompt somde Smeets de
erelijst op van leeftijdgenoot Rooks, die indrukwekkender is dan die van
Breukink. ,,Ho, ho. Ik had het over een ambassadeur. Dat slaat niet
alleen op de prestaties. Breukink was een gentleman, met een geweldige
uitstraling. Niks ten nadele van Rooks, maar hij was geen ambassadeur'',
zegt Nelissen nu. ,,Het gesteggel met Smeets? Toon Hermans stak pas de
loftrompet over het unieke duo Smeets-Nelissen. Kennelijk hebben de
speldenprikken van Smeets ook hun charme, brachten ze leven in de
brouwerij.''

Smeets schreef pas nog een buitengewoon hartelijk stuk over Nelissen in
de NCRV-gids. ,,En voor hij wegging naar de Tour belde hij me op.
Maar hij en ik zijn twee mensen met verschillende opvattingen. Hij rilt,
bijvoorbeeld, van de bedevaartgangers in Lourdes. Ik zeg: laat die
mensen, als ze daar troost vinden. Hij houdt van Amerikaanse sporten, ik
niet. Ik heb Mart opgeleid bij het wielrennen op de tv, maar hij heeft
meer affectie met deze sport dan velen veronderstellen. Vergeet niet dat
zijn vader lang geleden de profploeg Remmington financierde. Peter Post
fietste daar nog bij. Bij Mart thuis werd meer over het
cyclisme gesproken dan menigeen denkt.''

Maar Smeets was geen wielrenner, Nelissen wegrave;l. Hij was ooit
amateur. ,,Ik was als renner een artiest voor kleine podia, willens en
wetens. Niet voor het grote werk. Ik wilde niet zo veel uit mijn lichaam
halen, dat vond ik eerlijk gezegd te vermoeiend.'' Als twintiger reed
hij veel in Wallonieuml;. De bezetting was er zwak, herinnert hij zich.
,,Ik verdiende er veel, want ik reed vaak in de prijzen. Ik kon klimmen
en sprinten. Trainen deed ik niet veel, daar had ik een gruwelijke hekel
aan. In koersen van een of twee uur versloeg ik ze allemaal. Op basis
van mijn aanleg. Maar de wedstrijden werden op den duur langer, ik redde
het niet meer toen ik ouder werd. Ik heb met Van der Pluym en Kersten
gereden, daar hoefde ik absoluut niet voor onder te doen. Zij werden
Tourrenners, ik bleef een amateur.'' Aan zijn tv-commentaar kun je
merken dat hij coureur is geweest. Nelissen knikt: ,,Als ik iemand zie
demarreren, voel ik aan mijn hart wat de renner doormaakt. Ik weet wat
het betekent om tot op de draad kapot te zitten. Dat kun je nooit
overbrengen als je het zelf niet hebt meegemaakt. Ik heb als matige
amateur misschien nog meer geleden dan een grote beroepsrenner. Ze reden
me het eerste uur in een koers half bewusteloos.''

De dagelijkse column voor Radio 1, vanuit Maastricht, kost Nelissen
,,geen moeite''. Hij wijst op de vele stalen archiefkasten in zijn
kantoor. ,,Een verzameling van dertig jaar'', vertelt hij. ,,En wat ik
in mijn hoofd heb aan anekdotes, is eindeloos. Dertig jaar ervaring kun
je niet wegcijferen. Ik heb whisky gedronken bij de weduwe van
campionissimo Coppi, ik heb Faustino - de zoon van Coppi en zijn
maicirc;tresse, de Witte Dame - gesproken toen hij pas zeven jaar oud
was. Veel journalisten schrijven over de oude tijd, maar ik heb hem
meegemaakt. Tom Simpson? Ik heb als laatste met hem gesproken. Een week
voordat hij in 1967 op de Mont Ventoux stierf (als gevolg van doping- en
alcoholgebruik, red.) was ik bij hem in Mariakerken. Kort na zijn dood
ben ik naar zijn weduwe gegaan. Daar zag ik die bloedjes van kinderen,
die nu volwassen zijn. Een van die twee dochters gaat volgende week de
Mont Ventoux beklimmen, als eerbewijs aan haar vader. Ik zie die meisjes
nog aan tafel zitten, vier en drie jaar oud. 'Daddy is bezig aan
een hele lange reis en hij komt voorlopig niet terug', zei een van die
twee tegen me. En in de kast lagen het shirt en de broek van Tom, met
het rugnummer 49.''

Bij de in 1987 overleden Anquetil, uitgebreid in het nieuws bij de
Tourstart in Normandieuml;, was Nelissen lang geleden thuis op bezoek. ,,Als tv-
verslaggever zat ik
later zeven Tours naast hem. Hij zat steeds in de kroeg, pas kort voor
de uitzending ging hij op zijn commentaarpost zitten. Dan vroeg hij me
of hij de gegevens van de etappe mocht hebben. Ik hield alles natuurlijk
altijd keurig bij.''

Dat doet de 'Neel' ook anno 1997. Hij leest en ziet alles. ,,Riis? Die
zal het lastig krijgen, want hij is niet populair bij zijn ploeg. Bij
die grote valpartij aan het begin van de ronde, wachtte haast niemand
van Telekom op hem, terwijl die collega's in eacute;&eacute;n oogopslag
zagen dat hij een van de slachtoffers was. Riis heeft een grote blunder
begaan door aan te kondigen dat hij in 1999 een eigen Deense ploeg
begint, waarvan hij de helft van de aandelen bezit. Die Duitse renners
van Telekom denken nu: waarom zouden wij ons uitsloven voor die Deen,
die over twee jaar teacute;gen ons rijdt. Ze hebben in Ullrich toch
zelf een potentieuml;le Tourwinnaar van 23 jaar? Riis moet in de
Pyreneeeuml;n afstand nemen van Ullrich, anders komt hij in de
problemen. Weet je nog dat Ullrich in de laatste tijdrit van de Tour van
1996 ruim twee minuten sneller was dan Riis?''











