


Gezagscrisis





,,HET WORDT in dit land steeds moeilijker verantwoordelijken aan te
wijzen voor iets dat misgaat.'' Dit verzuchtte de toenmalige
fractieleider van D66 Van Mierlo begin 1994 na de zoveelste
terugtrekkende beweging van het derde kabinet-Lubbers over de
schuldvraag in de toen nog prille IRT-affaire. De aanval op de Haagse
afschuifmechanismen werd toen mede geleid door het Kamerlid Kohnstamm
(D66), thans staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Zelf tot het
regeringspluche verheven blijken de oude reflexen minder trefzeker.


Bij het afscheid tegen heug en meug van de Haarlemse korpschef Straver
als nasleep van de IRT-affaire nam Kohnstamm het zonder reserve op voor
de topambtenaren die door de parlementaire enquecirc;tecommissie
opsporingsmethoden onder vuur zijn genomen. Hij vergeleek de nadruk op
de personele gevolgen die de Tweede Kamer heeft gelegd met kooigevechten
- een schaamteloze bloedsport.

Met deze karikatuur - hoofdcommissaris Straver is als nieuwe korpschef
van Hollands-Midden per slot van rekening nog heel aardig weggekomen -
deed de staatssecretaris geen recht aan de werkelijke inzet van het
IRT-debat, een monumentale gezagscrisis. Deze was niet louter een
kwestie van wetgeving, zoals de voorzitter van de Raad van
hoofdcommissarissen in april ook erkende tijdens een hoorzitting: ,,Het
is in het Noordhollandse wellicht meer fout gegaan omdat men in de
sturing en in het nemen van verantwoordelijkheden achter is gebleven.''

 




DEZE VERANTWOORDELIJKHEID is in de politie-organisatie met haar
hieuml;rarchische traditie sterk geprofileerd. Dat geldt niet alleen
voor de spraakmakende korpschefs van de grote steden die met hun
politiek-publicitaire handstandjes de Machiavelliprijs in de wacht
sleepten, maar ook voor een rustige vakman als Straver. Negentig procent
van de politie-organisatie kijkt op tegen de bovenste tien procent, zegt
men wel. Maar toen het er op aan kwam, verschool de politietop (net als
een aantal officieren van justitie) zich achter het beschermingsbeginsel
dat ten grondslag ligt aan het ambtenarenrecht. ,,Het zelfreinigend
vermogen van de beroepsgroep bleek nog gering'', zoals het Tijdschrift
voor de politie onlangs opmerkte in een redactionele terugblik op de
IRT-affaire. Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) zette tijdens het
IRT
-debat tenminste nog een vraagteken bij de rechtspositionele
zetelvastheid van de politiechefs, ook al achtte hij zich daar in deze
kwestie juridisch aan gebonden. Zelf consequenties trekken was er voor
de verantwoordelijke bewindslieden van het kabinet-Kok helemaal niet
bij.

Kohnstamm draagt met zijn gratuite ontboezeming alleen maar bij aan
misplaatste gevoelens van verongelijktheid in het gesloten
politiewereldje. Dit doet terechte kritiek maar al te graag af als een
blijk van onbegrip van de boze buitenwereld. Dat is niet het recept om
herhaling te voorkomen.











