


Luilekkerland





DE FENOMENALE STIJGING van de koersen van de aandelen op de Amsterdamse
effectenbeurs is een luilekkerland voor beleggers. De graadmeter van de
beursstemming schoot gistermiddag naar een nieuw record van 608,88
punten. Ook op Wall Street, in de City en in Frankfurt staan de beurzen
op of net onder recordhoogte. Tegenover de gematigde ontwikkeling van de
lonen in Nederland en de verschraling van sociale uitkeringen, inclusief
de AOW, staat een koersexplosie zonder weerga. De aandeelhouders hebben
revanche genomen. In de periode van 1971 tot 1983 - toen stijgende
overheidsuitgaven, een loonexplosie en hollende inflatie de economie
onbestuurbaar dreigden te maken - mochten beleggers blij zijn als hun
rendement de inflatie bijhield. De financieel-economische
restauratiewerkzaamheden die eerst voorzichtig en toen met verve ter
hand zijn genomen, worden weerspiegeld in de beurskoersen. Sinds 1983,
toevallig ook het jaar dat de huidige beursindex werd
geiuml;ntroduceerd, is de waarde van Nederlandse aandelen
verzesvoudigd. In 1983 was de waarde van alle op de beurs genoteerde
bedrijven nog geen vijfde van de omvang van de economie. Nu is die
verhouding een op een. Deze financieuml;le waardecreatie komt ten goede
aan de grote partijen op de beurs: buitenlandse investeerders,
particuliere beleggers en, dankzij het Nederlandse pensioensysteem, ook
brede lagen van de bevolking. Pensioenfondsen en verzekeraars beleggen
inmiddels 35 procent van hun vermogen in aandelen en willen dat verder
uitbreiden.


De koerswinsten op de Nederlandse beurs van de afgelopen dertien jaar
weerspiegelen de snelheid waarmee het bedrijfsleven de vruchten plukt
van de financieuml;le en economische hervormingen die elders op het
continent nog goeddeels moeten worden doorgevoerd. Dat blijkt niet
alleen uit de hogere economische groei in Nederland, maar ook uit de
lagere rente ten opzichte van de rest van Europa. Tegelijkertijd is de
koersstijging een teken van angst. Angst dat de overheid zijn
toezeggingen voor de pensioenvoorziening niet volledig nakomt, zodat
particuliere beleggingen cruciaal zijn om het vermeende gat te dichten.
In die zin is de achterliggende periode het spiegelbeeld van de jaren
zeventig: toen zorgde de angst voor looninflatie voor afspraken over
automatische prijscompensatie en daarmee voor voortdurende inflatie.


WIE DENKT DAT zulke trends onomkeerbaar zijn, vergist zich. Dat geldt
voor inflatie en voor beursrecords. De creatie van de financieuml;le
vermogens is deels van papier: de koersen zijn de dagelijkse
weerspiegeling van vraag en aanbod. Kleine en grote schokken, zoals in
1987 toen de beurzen op eacute;&eacute;n dag bijna een kwart van hun
waarde verloren, zijn van tijd tot tijd werkelijkheid. Handhaving van
het prudente financieel-economische beleid en het gunstige
ondernemingsklimaat zijn de basis van het uitbundige beurssentiment. Het
voorbehoud dat beleggingsfondsen verplicht zijn te maken in hun
advertenties, geldt daarom net zo goed het financieel-economische
beleid. ,,Behaalde resultaten in het verleden zijn geen garantie voor de
toekomst.''











