


Overheidssteun





DE CULTUUR VAN het zakenleven staat op gespannen voet met de
fijnslijperij van juristen en rekenaars. Zo ongeveer moet het partijtje
moddergooien worden geplaatst dat is uitgebroken naar aanleiding van het
rapport 'Financieuml;le relaties met grote ondernemingen' dat de
Algemene Rekenkamer deze week heeft uitgebracht. De vernietigende
kritiek van de Rekenkamer op vijf industrieuml;le steunoperaties - aan
NedCar, DAF en drie keer Fokker - in de periode 1987 tot 1994 is door
het kabinet bij monde van minister Wijers (Economische Zaken) afgedaan
als ,,wereldvreemdheid''.


Vreemd is de gang van zaken zeker. Na het debacle van de RSV-affaire
begin jaren tachtig stelden het kabinet en de Tweede Kamer regels op
voor steun aan noodlijdende ondernemingen. De Rekenkamer heeft
onderzocht in hoeverre die regels zijn gevolgd en is tot de slotsom
gekomen dat bij de verleende staatssteun aan NedCar, DAF en Fokker veel
is misgegaan. Niet alleen in de informatieverstrekking aan de Tweede
Kamer en in de naleving van de EU-richtlijnen voor mededinging, maar
bovenal in de samenhang van het Nederlandse industriebeleid. Volgens de
Rekenkamer heeft de overheid maar wat aangerommeld. In ten minste
eacute;&eacute;n geval, de 'technoleaseconstructie' voor Fokker, heeft
dat de schatkist ook nog een onbekend maar buitenproportioneel groot
bedrag gekost.  




SLECHT NIEUWS DUS voor het ministerie van Economische Zaken en bovendien
een gevoelige deuk voor het politieke beeld van de oud-ministers De
Korte (VVD) en Andriessen (CDA) die verantwoordelijk waren voor de
onderzochte steunoperaties. De Rekenkamer wordt verweten een verkeerd
moment van publicatie te hebben uitgezocht: EZ zit midden in de
afwikkelingsfase van het gevoelige Fokker-dossier met Samsung en dan
komt zo'n kritisch rapport over onder andere Fokkersteun natuurlijk bar
ongelegen. Maar juist een onafhankelijk instituut als de Rekenkamer mag
zich niet laten leiden door dit soort overwegingen. De gekrenktheid
waarmee minister Wijers uithaalde naar de Rekenkamer is dan ook niet
gerechtvaardigd. Een politicus van D66, begonnen als de
anti-establishmentpartij van de openheid en bestuurlijke vernieuwing,
zou de openbaarheid van het onderzoek moeten toejuichen - en niet twee
keer hebben moeten aandringen op geheimhouding of pogingen hebben
ondernomen om publicatie te blokkeren. Want welk ander instituut dan de
onafhankelijke Rekenkamer kan de myriade van overheidsregelingen en de
departementale houdgreep op financieuml;le informatie met enige
deskundigheid kritisch tegen het licht houden?

 




DEZE ERKENNING van het recht van de Rekenkamer om het publiek te
informeren (bijlagen met bedrijfsgevoelige informatie zijn overigens
geheim gebleven) hoeft niet te leiden tot instemming met alle
conclusies. De Rekenkamer draagt feitelijk materiaal aan; het is
vervolgens aan de politiek deze gegevens te betrekken bij de altijd
bredere belangenafweging. Hoe gedocumenteerd het rapport ook is, het is
geschreven vanuit een geconstrueerd perspectief dat haaks staat op de
ondernemerscultuur waarmee de ministeries van Economische Zaken en
Financieuml;n te maken hebben als het gaat om de onderhandelingen over
staatssteun aan noodlijdende bedrijven. Risicodragend ondernemerschap is
niet te vangen in een draaiboek met een standaardaanpak.

In twee gevallen, NedCar en DAF, zijn de resultaten van de
steunverlening positief geweest, waardoor de levensvatbare voortzetting
van deze ondernemingen is veiliggesteld. Bij Fokker kunnen grote
vraagtekens gezet worden of de herhaalde steunoperaties - onder
ongeclausuleerde politieke druk - zakelijk gezien verstandig waren, maar
voor de teloorgang van Fokker in de slotfase valt moeilijk alleen de
Nederlandse overheid als verantwoordelijke aan te wijzen. Daarvoor waren
- en zijn - er bij Fokker te veel andere grote partijen betrokken.

 




PARTICULIERE ONDERNEMERS worden op hun vingers gekeken door
aandeelhouders en financieuml;le markten. Bij staatsdeelnemingen ligt
dat anders: door de steun die ze krijgen kunnen zij zich (deels)
onttrekken aan de tucht van de markt. Controle op staatsdeelnemingen
gebeurt voornamelijk op basis van informatie van de betrokken
departementen. Het Rekenkamerrapport maakt nog eens zichtbaar dat
overheidsbemoeienis met falende ondernemingen niet in staat is om het
marktmechanisme buiten werking te stellen.

Dit alles leidt tot drie conclusies. In de eerste plaats hebben
overheden de verantwoordelijkheid om te zorgen voor zo groot mogelijke
transparantie als besloten wordt tot tijdelijke financieuml;le steun
aan noodlijdende ondernemingen. Daarnaast is het van publiek belang dat
onderzoek openbaar wordt gemaakt. En ten slotte moet de overheid niet op
de stoel van ondernemers gaan zitten.











