


Wegpromoveren





DE PERSONELE CONSEQUENTIES van de parlementaire IRT-enquecirc;te zijn
omgekeerd evenredig gebleken met het ongenoegen dat met name de openbare
hoorzittingen hebben opgeleverd. Het resultaat is een beperkt aantal
overplaatsingen die neerkomen op wegpromoveren. Over deze bijdrage aan
het herstel van het geschonden gezag van het strafrechtelijk apparaat
komt de Tweede Kamer, na alle aandacht die zij in mei bij het
evaluatiedebat over de parlementaire enquecirc;te juist aan het personele
aspect besteedde, nog ongetwijfeld nader te spreken met de ministers
Sorgdrager (Justitie) en Dijkstal (Binnenlandse Zaken). Dat de nu
aangekondigde personele maatregelen een anticlimax vormen ten opzichte
van de gedocumenteerde bezwaren die het onderzoek heeft opgeleverd tegen
justitieuml;le en politi&euml;le gezagsdragers is wel duidelijk. In mei
maakte met name minister Dijkstal, zich beroepend op de landsadvocaat,
nogal een punt van de speciale rechtspositie die toekomt aan ambtenaren,
zoals korpschefs. Hetzelfde geldt voor de leden van het openbaar
ministerie, die binnen de portefeuille van minister Sorgdrager vallen.


Deze hele episode roept de vraag op of de rechtspositionele zekerheid
van de ambtenaar niet leidt tot nodeloze verstarring en gebrek aan
flexibiliteit van de openbare dienst. Deze vraag spitst zich in
belangrijke mate toe op de nauwkeurige, uitputtende regeling van de
ontslagbescherming. Typerend is het verschil tussen de rol van de
rechter in civiele zaken en de ambtenarenrechter. De eerste zoekt in de regel ee
n financieuml;le uitkomst waarbij de
verbreking van de arbeidsrelatie vooropstaat, de ambtenarenrechter is
gehouden de rechtmatigheid van het ontslagbesluit als zodanig te
toetsen. Schadevergoeding is daarbij van oudsher slechts mogelijk
wanneer een algemeen belang valt aan te wijzen.NU KON JUIST in de
IRT-zaken worden gezegd - zoals het Kamerlid Schutte (GPV) in mei
signaleerde - dat niet alleen het algemeen belang maar ook het
korpsbelang en het belang van de leiding zelf een reden vormde om geen
genoegen te nemen met het aanblijven van topmensen tegen wie zulke
ernstige bezwaren waren gerezen. Hij had het over politiechefs, maar
hetzelfde gaat op voor leden van het openbaar ministerie. Hadden zij
niet overduidelijk de risico's van de opsporingsmethoden die onder hun
algemene verantwoordelijkheid werden toegepast, te laat onderkend? Op
deze kernvraag repliceerde Dijkstal dat de omstandigheid ,,dat iemand in
algemene zin verantwoordelijk is bij de overheid geen grond voor ontslag
oplevert''. Hij maakte er met name ,,bezwaar tegen om indrukken als
enige maatstaf te hanteren''. Nog afgezien van de vraag of de minister
werkelijk zo klem zat als de landsadvocaat deed voorkomen, was dat een
gedurfde opmerking in het licht van het ,,management by impression'' dat
de moderne stijl van leidinggeven bij de politie (en het OM) de laatste
jaren heeft gekenmerkt. De grote korpschefs kregen daar zelfs de
Machiavelli-prijs voor. 


EEN PRIJS MET een dergelijke titel kan ook in bredere zin gelden als ,,
nomen est omen''. Dertig jaar geleden karakteriseerde de
bestuursrechtsgeleerde Van Poelje topambtenaren al als ,,de facto
bestuurders''. Dat geldt zeker voor het politieuml;le en
justitieuml;le complex: De korpschefs worden benoemd bij Koninklijk besluit. Het
 openbaar ministerie, dat zich van oudsher beroept op een eigen
positie, heeft tegenwoordig een speciale ,,super-PG''. De ambtelijke top van het
 ministerie van Justitie werd gepromoveerd tot
,,bestuursraad''. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is tegenwoordig ee
n ,,
agentschap'', een verzelfstandigd onderdeel van het departement - niet
in de laatste plaats wat betreft het management, zoals Dijkstal nog als
Kamerlid opmerkte.


,,Waar de macht van de ambtenaar vandaan komt, is minder relevant'', zei
professor Crince LeRoy twintig jaar geleden in een klassieke beschouwing
over de vierde macht. ,,De vraag is slechts: heeft de ambtenaar
beslissingsmacht. En deze vraag moet met 'ja' beantwoord worden''. De
openbare dienst is wel vergeleken met een gletsjer, maar de
ambtenarenrechter blijkt de laatste tijd toch sneller bereid een
prijskaartje te hangen aan maatregelen om ambtelijke verlamming van een
organisatie of diensttak te doorbreken. Het recente vertrek - met
inhuurcontract en terugkeeroptie - van het hoofd van de benarde IND
Nawijn past in deze trend. En dan is er natuurlijk de royale gouden
handdruk voor de omstreden Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Deze tw
ee zaken hebben op hun beurt wrevel opgeroepen. Dat is
begrijpelijk.DE RIANTE prijskaartjes zijn wel het resultaat van een
onmiskenbare bereidheid van de ambtenarenrechter de overheid mede
verantwoordelijk te houden voor ,,disfunctioneren waaraan het betrokken
orgaan zelf mede heeft bijgedragen''. Dat gaat zo ver, dat
medeverantwoordelijkheid wordt aangenomen wanneer het bestuur heeft
nagelaten een duidelijk ongeschikte manager een krachtig ,,tot hier en
niet verder'' toe te roepen, of wanneer ter ontlasting van een
onhoudbare schoolarts wordt opgemerkt dat collega's en superieuren ,,
ook niet onfeilbaar zijn gebleken''. Het gevolg is - zo waarschuwde al
in 1982 een pre-advies voor de Juristenvereniging - ,,dat de spanning
tussen publiek gezag en individuele gerechtigheid jegens de ambtenaar
speciaal met betrekking tot diens ontslag vaak nadelig uitpakt voor het
publiek gezag''. Minister Dijkstal zoekt voor de topambtenaren een
antwoord in de oprichting van een algemene, meer flexibele,
bestuursdienst. Maar dat lost de spanning nog niet op.












