


De MUB





DE NIEUWE SLOGANS zijn 'Alle macht aan de decaan' en 'Weg met de
universiteitsraden'. Het wetsvoorstel voor de hervorming van het
universiteitsbestuur dat minister Ritzen (Onderwijs) deze week in de
Kamer verdedigt, beoogt de organisatorische structuur van de
universiteiten te veranderen. De opening van het academische jaar werd
daarom opgevrolijkt door weglopende studenten, keurig in het pak, en het
Kamerdebat gisteravond door protesterende studenten die eieren gooiden
naar de minister. Het getuigt dan ook van enige moed dat Ritzen de Wet
Universitair Bestuur (WUB), een residu van de studentenrevolte uit 1968,
wil vervangen door de Wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuur
(MUB).


Dit is hoog tijd. Bij de opeenvolgende bezuinigingen die Ritzen de
afgelopen jaren heeft opgelegd aan de universiteiten, was het voor velen
duidelijk dat het gedemocratiseerde bestuur een van de oorzaken voor de
inefficieuml;ntie van het universitaire bedrijf vormde. Verlammende
procedures, ondoorzichtige bestuursvormen, de opmars van de
niet-academische beheerders binnen de faculteiten, de vlucht in de
wachtgeldregelingen en de ondoorzichtigheid van de prestaties van
docenten binnen de vakgroepen maakten de oude wet tot een anachronisme.

In de MUB worden verworvenheden zoals de vakgroep als kleinste
bestuurseenheid en de deelname aan het bestuur door gekozen
vertegenwoordigers van alle geledingen van het personeel en de
studenten, ingeruild voor beperkte vormen van inspraak en voor een
beroepsdecaan die zal worden belast met het bestuur en beheer van de
faculteiten. Enkele Kamerleden beroepen zich nostalgisch op hun rol in
de studentenbeweging van de jaren zestig. Maar afgezien van de acties
gisteren in de Kamer is van studentenprotest tegen de nieuwe wet geen
sprake. Ook dat is een teken des tijds.

 




DE CULTUUROMSLAG bij de universiteiten is groot en voltrekt zich in een
opmerkelijk snel tempo. Plotseling spreken de universitaire bestuurders
over het belang van academische centra van uitmuntendheid en overwegen
ze met vergelijkende examens het toelatingssysteem door loting te
vervangen. De jarenlang gekoesterde gedachte dat universitair onderwijs
voor iedereen haalbaar moet zijn, heeft plaatsgemaakt voor de omarming
van selectieve gerichtheid op prestaties. Dat geldt niet alleen voor de
studenten, maar evenzeer voor de docenten.

Het is een typische vorm van overreageren. Want nadat de
universiteiten - en in breder verband het hoger onderwijs - in de jaren
tachtig werden overspoeld met studenten, worden nu aan alle kanten de
schroeven aangedraaid. De universiteiten werken op een markt van
krimpend aanbod. Dit komt niet alleen door demografische factoren, maar
ook door stapels bestuurlijke maatregelen van het ministerie van
Onderwijs. Studeren is minder aantrekkelijk en stukken duurder gemaakt.

 




AAN HET BEGIN van dit studiejaar is de prestatiebeurs ingevoerd. Het
stelsel van studiefinanciering dat in 1986 werd opgezet door de
toenmalige CDA-minister van Onderwijs Deetman, is daarmee voor de
zoveelste keer herzien. Wat begon als een vorm van onwaarschijnlijke
vrijgevigheid, is teruggebracht tot een karig minimum. Studenten hebben
voortaan nog slechts recht op een lening die pas na succesvol afstuderen
voor maximaal vier jaar wordt omgezet in een beurs. En verder is het uit
met de studiefinanciering. Volgend jaar gaat het collegegeld ook nog
verder omhoog.

Deze financieuml;le aderlating is het gevolg van de succesvolle lobby
van het hoger onderwijs in het parlement om een groot deel van de
bezuinigingen uit het regeerakkoord af te wentelen op de studenten - en
in veel gevallen hun ouders. Daarmee voorkwamen de bestuurders van de
universiteiten en hogescholen dat ze nog dieper in hun eigen
organisaties moesten ingrijpen. De belofte om bij wijze van
tegemoetkoming aan de studenten de 'studeerbaarheid' van de opleidingen
- het begrip is van het ministerie van Onderwijs - te verbeteren, doet
daarbij potsierlijk aan. Natuurlijk moet het hoger onderwijs behoorlijke
studies aanbieden.

 




HET RESULTAAT van het hoger-onderwijsbeleid is dat zich minder studenten
aanmelden omdat ze onder enorme tijds- en gelddruk komen te staan en dat
de universiteiten met de MUB eindelijk de bestuurlijke armslag krijgen
om intern orde op zaken te stellen. Deze tegenstrijdige bewegingen
verlossen minister Ritzen wellicht van zijn begrotingsproblemen, maar de
universiteiten verkeren nog altijd in een weinig benijdenswaardige
positie. Ze bieden een duur produkt op een afkalvende markt.











