


Sancties





DE WOEDE VAN DE Europeanen heeft president Clinton er niet van
weerhouden opnieuw een sanctiewet te tekenen. Was de vorige gericht
tegen internationale investeringen in Cuba in oorspronkelijk bezit van
ballingen uit dat land, ditmaal gaat het om een boycot van Iran en
Libieuml;. Volgens de Amerikanen financieren beide staten het
internationale terrorisme en gaat het niet aan om via handel en
investeringen daaraan indirect steun te verlenen. De Europeanen, de
Fransen voorop, zijn van mening dat een sluitend bewijs voor de
Amerikaanse beschuldigingen niet is geleverd. Bovendien zou de weg die
Amerika nu is ingeslagen een rechtstreekse bedreiging vormen voor de
economische betrekkingen in de wereld en daarmee voor de welvaart van
allen.


Om de plechtigheid van de ondertekening van de sanctiewet te
onderstrepen had Clinton nabestaanden uitgenodigd van de slachtoffers
van de bomaanslag op een PanAm-jumbo in 1988 boven het Schotse
Lockerbie. Ieder misverstand over de rol die Washington het Iraanse
regime bij het veroorzaken van die ramp toedicht,  moest daarmee worden
weggenomen. Nog kortgeleden hadden de G-7 en Rusland in Parijs over de
terreurbestrijding van gedachten gewisseld. Allerhande preventieve
maatregelen passeerden er de revue. Maar over sancties tegen verdachte
staten werd zelfs niet gesproken. Clinton heeft nu gekozen voor een 'wie
niet horen wil moet maar voelen'. De nieuwe wet geeft hem namelijk de
ruimte om ook niet-Amerikaanse ondernemingen en personen die zich niet
aan de Amerikaanse regels houden te straffen.

 




TWEE DIEPGEWORTELDE overtuigingen botsen hier op elkaar. De Amerikanen
geloven dat het internationale terrorisme kan worden overwonnen zolang
de internationale gemeenschap maar bereid is in onderlinge solidariteit
de verantwoordelijken te straffen. Europa wil koste wat kost zijn
onafhankelijkheid bewaren op handelsgebied. Partnerschap met Amerika is
eacute;&eacute;n ding - er is geen gevestigde politieke leider in
Europa te vinden die daarvan afwil - maar dat betekent niet dat de
Europeanen zich als vazallen van de Verenigde Staten zouden moeten
gedragen. Het Europese verzet tegen Amerikaanse druk was al manifest
toen president Reagan destijds Europese olie- en gasimporten uit de
Sovjet-Unie met sancties wilde treffen.

Ditmaal is het initiatief voor de sanctiewetten tegen Cuba, Iran en
Libieuml; in het door de Republikeinen beheerste Congres ontstaan. De
president heeft kennelijk geconcludeerd dat hij dergelijke wetgeving in
een verkiezingsjaar beter niet met een veto moet treffen. De werking van
de wet tegen Cuba heeft de president weliswaar opgeschort, maar of een
herkozen Clinton soepeler zal willen en kunnen zijn is hoogst onzeker.
Na de (vermoedelijke) aanslagen op een TWA
-vlucht en in Atlanta heeft de terreurbestrijding in Amerika de hoogste
prioriteit gekregen. Bovendien vinden Amerikanen het onaanvaardbaar dat,
zoals wel is gebeurd, niet-Amerikaanse ondernemingen de plaats innemen
van Amerikaanse bedrijven die zich op last van hun eigen regering uit
een bepaald land terugtrekken.

Als de regering-Clinton consequenties trekt uit haar eigen wetten komt
de Europese Unie voor een ernstig dilemma te staan. De Unie heeft met
zoveel woorden laten weten dat maatregelen tegen Europese ondernemingen
en personen zullen worden beantwoord met wederkerige sancties. Daarmee
kondigt zij een handelsoorlog aan waarbij vroegere trans-Atlantische
conflicten zouden verbleken. Die conflicten hadden namelijk meestal een
zuiver commercieel karakter en als zij, zoals in Reagans tijd, een
politieke implicatie kregen werd tijdig de lont bij het kruitvat
weggehaald. Nu ziet het ernaar uit dat het 'point of no return', althans
aan Amerikaanse kant, is gepasseerd.

 




ER VALT EEN onderscheid te maken tussen de Amerikaanse sancties tegen
Cuba en die tegen Iran en Libieuml;. Waar de
Cubaanse kwestie als een eenzijdig Amerikaans belang zou kunnen worden
afgeschilderd, hebben de Amerikanen gelijk wanneer zij het
internationale terrorisme als een zaak kwalificeren die iedereen
aangaat. Als zij hun beschuldigingen ten aanzien van Iran en Libieuml;
in specifieke gevallen met overtuigend bewijs zouden kunnen staven, zou
het de Europese regeringen zwaarder vallen zich te blijven verzetten
tegen sancties tegen die landen - hoe voordelig hun betrekkingen met
Iran en Libieuml; verder ook mogen zijn. Hun eigen geloofwaardigheid op
dit terrein - en daarmee die van de Europese Unie - zou in het geding
komen.

Zouden de Verenigde Staten het daarentegen laten bij aanwijzingen en
vermoedens, dan moet Europa de Amerikaanse pressie wel weerstaan.
Overigens dient het daarbij het hoofd koel te houden. Er staat ten
slotte heel wat op het spel.











