


Imamopleiding





,,ONDER UITDRUKKELIJKE erkenning van de scheiding van kerk en staat kan
toch worden bezien op welke wijze organisaties op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag een bijdrage kunnen leveren aan de
integratie van minderheden.'' Dit berichtte minister Dijkstal
(Binnenlandse Zaken en Minderhedenbeleid) de Tweede Kamer vlak voor
Sinterklaas vorig jaar. Het was duidelijk waaraan hij dacht:
overheidssteun voor de opleiding van inheemse imams (islamitische
voorgangers).


Tot dusver worden deze geestelijke leidsmannen in de landen van herkomst
opgeleid en tijdelijk hier gedetacheerd. Dat gaat onherroepelijk ten
koste van hun kennis van de specifieke problemen van hun gelovigen
alhier. Terwijl deze dat juist zo goed kunnen gebruiken. Het gevaar van
een nieuwe vervreemding - na het gastarbeiderschap - van allochtone
gemeenschappen in onze samenleving wordt nog eens onderstreept door het
jongste jaarbericht van de BVD. Dit signaleert verontrustende tekenen
van radicalisering onder moslims in Nederland.

Ook zonder direct de staatsveiligheid er bij te halen, is duidelijk dat
de maatschappelijke uitsluiting van allochtone moslims hier en daar
zorgelijke vormen aanneemt. Dat vraagt in de eerste plaats om een
krachtdadige bestrijding van alle vormen van discriminatie. Maar het is
ook nodig bruggen naar de omgeving te bouwen, vanuit de traditie van de
etnische gemeenschappen zelf. Het is te begrijpen dat de overheid popelt
hun een zetje in de goede richting te geven.

OVERHEIDSHULP op godsdienstig gebied ligt echter gevoelig, zoals
Dijkstal ook wel beseft. Nederland heeft in de jaren tachtig juist het
besluit genomen de traditionele steunverlening aan kerken te
beeuml;indigen als een - overigens: rijkelijk laat - uitvloeisel van
het beginsel van scheiding van kerk en staat. De bewindsman spreekt dan
ook liever over ,,de kerk of moskee middenin de samenleving in een
breder perspectief van maatschappelijke activiteiten''. Het Kamerlid
Schutte (GPV) toonde in een eerder debat over de criteria voor
steunverlening aan de kerken, met reden, weinig geduld met dergelijk
verhullend taalgebruik: ,,Moskeeeuml;n moeten evenmin als kerken via
een omweg worden gesubsidieerd.''

Directe bekostiging van geestelijke bijstand is eigenlijk alleen te
aanvaarden in speciale situaties, zoals het leger of de gevangenis.
Kenmerkend daarvoor is immers dat mensen direct afhankelijk zijn van de
overheid. Bij de vervanging van de dienstplicht door een beroepsleger
valt over deze grondslag trouwens te twisten. De gevangenis is wel een
duidelijk geval. Het valt dan ook te billijken dat minister Sorgdrager
(Justitie) overweegt nu toch iets te doen aan een speciale imamopleiding
ten behoeve van islamitische gedetineerden in Zuid-Holland.

Zelfs dit beperkte initiatief blijft gevoelig, want de islamitische
gemeenschap is verdeeld en de overheid behoort niet partij te trekken
voor de ene of de andere stroming. Het kernprobleem is dat de islam
vanuit zijn traditie minder boodschap heeft aan de scheiding van kerk en
staat dan het geval is in onze - overigens: zwaarbevochten - traditie.
Deze omstandigheid vormt tegelijk de aantrekkingskracht voor
overheidssteun aan de opleiding (het bevorderen van modernisering) als
een doorslaggevende contra-indicatie.

Zelfs voor Schutte blijft het moeilijk. In een recent debat betoogde hij
dat godsdienstig geiuml;nspireerde activiteiten in aanmerking zouden
moeten komen voor overheidsfacilitering indien zij ,,van belang zijn
voor de hele samenleving''. Dit criterium impliceert een oordeel van de
overheid over deze activiteiten dat zich moeilijk verdraagt met het door
hem eerder zo vurig verdedigde principe van de scheiding van kerk en
staat.


GERICHTE OVERHEIDSSTEUN voor kerkgenootschappen is het verkeerde
signaal. Dat maakt een inheemse imamopleiding er niet minder wenselijk
op. Het antwoord moet niet worden gezocht in speciale maatregelen van
minderhedenbeleid, maar in de volledig ingeburgerde regeling voor
kerkelijke opleidingen van het departement van Onderwijs. Dat is niet
een initieuml;rende, maar een reagerende regeling, gebaseerd op
grondwettelijke vrijheden van richting en inrichting. Zij is in 1994
juist herzien om de gelijkheid van de verschillende geloofsrichtingen te
accentueren. Een bijkomend voordeel is dat deze onderwijskundige
regeling een premie stelt op zogeheten duplex ordo-constructies,
samenwerking tussen moslimorganisaties en bestaande bijzondere
onderwijsinstellingen. Zo kan het bruggenbouwen al meteen beginnen -
zonder overheidsregie.










