


De onderzoekers en de onderzochten





HET GEDWONGEN VERTREK van staatssecretaris Linschoten eind vorige week
kan in zekere zin ook worden beschouwd als de apotheose van een
parlementair seizoen waarin het begrip onderzoek de boventoon voerde.
Niet de Tweede Kamer als medewetgever bepaalde het beeld, maar de Kamer
als rechercheur. Terwijl in de grote vergaderzaal in veelal abstracte
termen het toekomstig beleid werd besproken, kwam het spektakel uit de
zijzaaltjes waar ten overstaan van parlementaire onderzoekscommissies de
falende praktijk uit de doeken werd gedaan. Het was natuurlijk
allereerst het jaar van de IRT-enqute met als voornaamste conclusie dat
er in het justitieel apparaat sprake was van een normeringscrisis, een
organisatiecrisis en een gezagscrisis. Daarna volgde het onderzoek van
een parlementaire commissie naar de gang van zaken bij de Stichting
Woningbeheer Limburg (WBL). Een niet op zichzelf staand geval van falend
toezicht op een verzelfstandigingsproces in de volkshuisvesting, luidde
het oordeel in het eindrapport. En dan lag er vorige week het
eindresultaat van het onderzoek van de speciale Kamercommissie naar de
crisis bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV
). Een rapport waarin kwistig werd gestrooid met termen als cruciale
taxatiefouten en slordige dan wel onzorgvuldige procedures.


 




DE VRAAG die direct opkomt bij zoveel onderzoek is of er een bepaald
patroon valt te ontdekken in de onderwerpen die deel uitmaken van
parlementaire studie. In de meeste gevallen blijkt het in de kern altijd
weer te gaan om zoekgeraakte verantwoordelijkheden. Ook als wat verder
wordt teruggekeken valt op dat het telkens weer deze conclusie is die er
uitspringt. De RSV-enqute, de bouwenqute, de paspoortenenqute, de enqute
naar de uitvoering van de sociale zekerheid, het waren stuk voor stuk
demonstraties van een overheid die het zicht op de materie was
kwijtgeraakt.

Het waren zodoende ook allemaal gevallen van schrikken achteraf. Ietwat
gechargeerd kan worden gesteld dat in de gegroeide onderzoekscultus het
ene deel van de Kamer corrigeert wat het andere deel fout heeft gedaan.
Het was immers de Tweede Kamer die het justitieel apparaat de vrije hand
liet bij de opsporingsmethoden, het was de Tweede Kamer die het licht op
groen zette voor de grootscheepse decentraliseringsoperatie in de
volkshuisvesting en zo was het ook de Tweede Kamer die instemde met de
onwerkbaar gebleken structuur van het CTSV.

 




DE FOUTEN die in de onderzoeksrapporten anderen worden aangerekend, zijn
vaak voor een deel aan de Kamer zelf te wijten. Wijsheid achteraf is
altijd gemakkelijk, maar dat steeds terugkerende gegeven zou juist een
aansporing kunnen zijn voor parlementarieuml;rs om zich ook eens wat
meer te richten op het vergaren van wijsheid vooraf. Nu het ideologische
verhaal minder telt, gaat het om het doorbreken van het zogeheten
'monopolie van de feiten', om het vormgeven van beleid, om de wijze
waarop het gewenste resultaat het best kan worden bereikt. De Tweede
Kamer blijkt immers sterk afhankelijk van de informatie die de regering
haar verstrekt. Om dat 'kennismonopolie' te doorbreken is het
noodzakelijk dat de Tweede Kamer meer eigen onderzoek gaat doen dat zich
richt op toekomstig beleid. Een voorzichtig begin is al gemaakt. Bij
grote infrastructurele projecten bewandelt de vaste Kamercommissie voor
de rijksuitgaven steeds vaker de weg van de contra-expertise. Openbare
hoorzittingen voorafgaand aan de behandeling van een wetsvoorstel worden
een vertrouwd verschijnsel. Maar het blijft allemaal ad hoc werk. Een
parlement dat serieus tegenspel wil bieden, dient een structurele
voorziening te treffen.

ALS PARLEMENTAIR onderzoek een 'gewoner' verschijnsel wordt, zal ook de
politieke lading die er aan kleeft vanzelf verminderen. Te vaak wordt -
althans in de beeldvorming - parlementair onderzoek verward met een
politieke klopjacht. De afgelopen maanden hebben daarvan de nodige
voorbeelden opgeleverd. Hoewel het steeds om de zaken ging, bleven de
zoeklichten eenzijdig gericht op de politieke hoofdrolspelers. Het is
een effect waarvoor de media mede verantwoordelijk zijn.

De verantwoordelijken voor falend beleid moeten zonder meer worden
genoemd. Maar het is omwille van de zuiverheid van het onderzoek dat
onderscheid wordt gemaakt tussen het aandragen van de feiten en het
beoordelen van de verantwoordelijken. Het valt te betwijfelen of de
onderzoekscommissies die zich hebben beziggehouden met de WBL en het
CTSV hiervan voldoende waren doordrongen. Een onderzoekscommissie moet
niet de kwalificatie 'verwijtbaar' hanteren, zoals in de WBL-kwestie is
gebeurd, maar een oordeel aan de Tweede Kamer in haar geheel overlaten.
Hetzelfde geldt voor de conclusie van de betrokken commissie dat de
selectieprocedure bij de CTSV van een 'onthutsende eenvoud' was.

 




MET HET VERTREK van staatssecretaris Linschoten heeft een parlementair
onderzoek weer eens tot gevolgen in de personele sfeer geleid. Toch zou
het verkeerd zijn onderzoeken louter te beoordelen op een dergelijke
afloop. Integendeel, zolang een debat naar aanleiding van eindrapporten
van onderzoekscommissies zich beperkt tot personen, zullen dergelijke
onderzoeken politieke krampachtigheid oproepen. Door gebruik te maken
van het onderzoekswapen is de Tweede Kamer zich als leeuw gaan gedragen.
Wil de leeuw indruk blijven maken dan zal dit instrument moeten worden
gekoesterd. Het zal niet alleen veelvuldig maar vooral ook zorgvuldig
moeten worden gehanteerd.











