Nut of noodzaak
VIER MAANDEN DISCUSSIE over 'nut en noodzaak' van de uitbreiding van de
luchtvaart in Nederland is deze week geeuml;indigd in een fikse ruzie.
Geen wonder. Als in totaal tachtig vertegenwoordigers van de
milieubeweging, de overheid, het bedrijfsleven, de luchthaven Schiphol
en deskundigen onder leiding van twee organisatie-adviesbureaus
discussieuml;ren over een onderwerp waarover ze het ten principale met
elkaar oneens zijn, liggen tegengestelde standpunten voor de hand. De
pacificatieformule van het middenveld, overleg tussen alle betrokkenen
tot consensus is bereikt, heeft dan weinig nut. De dilemma's zijn in
ieder geval helder. Dat was ook de bedoeling van de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid die een paar jaar geleden met het voorstel
kwam om over grote infrastructurele projecten discussies te voeren
voorafgaande aan de besluitvorming.
Aldus mocht, in de traditie van het model van repressieve tolerantie, de
gedoogformule van de Amerikaans-Duitse filosoof Herbert Marcuse uit de
jaren zestig, de milieubeweging aanschuiven bij de discussie over een
onderwerp waar zij fel afwijzend tegenover staat. Uitbreiding van de
luchtvaart staat immers haaks op de beginselen van ecologische
duurzaamheid.
HOE MEN startbanen ook draait, normen aanscherpt of vliegvelden
verplaatst: de luchtvaart heeft negatieve effecten die bij een groeiend
luchtverkeer zelfs onder de gunstigste omstandigheden van duurdere
kerosine en schonere, stillere straalmotoren alleen maar sterker worden.
Nog afgezien van het aantal vluchten, trekken vliegvelden economische
bedrijvigheid op de grond aan. Dat leidt tot congestie, beslag op
ruimte, energieverbruik, uitstoot van vervuilende gassen en andere
aanslagen op het milieu.
Voor de luchtvaartlobby zijn dit hinderlijke, maar onvermijdelijke
neveneffecten die nu eenmaal horen bij het mantra van economische groei
en de schepping van werk. Hieruit vloeit de stelling voort dat
economische groei noodzakelijk is om het geld op te brengen waarmee de
negatieve milieu-effecten zo goed mogelijk kunnen worden bestreden. De
infrastructuur van een vliegveld met zijn aan- en afvoerroutes en
gebouwen legt weliswaar beslag op de schaarse fysieke ruimte - Schiphol
is qua oppervlakte nu al groter dan de Amsterdamse binnenstad - maar in
de permanente concurrentieslag met andere luchthavens betekent stilstaan
volgens de voorstanders van uitbreiding onherroepelijk achteruitgang. En
daarvan wil geen bestuurder worden beticht.
Bovendien: de wereldhandel groeit en met de toenemende welvaart zullen
mensen vaker een vliegreis boeken. Waarom zou Nederland, met zijn
historische distributiefunctie, die kansen aan zich voorbij laten gaan?
EEN 'NUT EN NOODZAAK'-discussie is niet in staat om een keuze tussen
deze twee standpunten te maken en evenmin om eacute;&eacute;n van de
twee partijen te verzoenen met een onwelgevallige uitkomst. Daarvoor
zijn de economische belangen van de luchthavenlobby te groot en de
beginselen van de milieubeweging te sterk. Daar komt nog bij dat
toekomstverkenningen over ruimtelijke ordening en mega-investeringen in
infrastructuur altijd gehinderd worden door grote onzekerheden.
Technologische doorbraken of drastische verschuivingen in de
wereldeconomie kunnen verregaande gevolgen hebben.
Het kabinet van zijn kant heeft zichzelf ten doel gesteld om in oktober
een besluit te nemen over de toekomst van de luchtvaart in Nederland. Nu
de discussie in een impasse is geeuml;indigd, pleiten de
milieu-organisaties voor meer tijd en extra studies. Dat lijkt meer een
tactiek van vertraging met de hoop dat uitstel tot afstel zal leiden,
dan een pleidooi om meer argumenten te kunnen verzamelen waarop een
besluit kan worden gebaseerd. Ontdaan van alle emoties en technische
afwegingen komt het immers neer op de vraag: wil Nederland in de
toekomst meer luchtvaart of niet en, afhankelijk van het antwoord,
hoeveel geld heeft Nederland hiervoor over. Dit is een afgebakend
politiek vraagstuk dat in het kabinet en het parlement kan worden
opgelost.
Zie ook de discussie over een tweede national luchthaven in 
Tegenspraak. 
