


Iran draait bij





ACHTTIEN JAAR NA de Islamitische Revolutie heeft de Iraanse bevolking 
met de verkiezing van een relatief liberale president duidelijk gemaakt
dat zij meer vrijheid wenst. Dat is op zich niet zo opmerkelijk; de
inwoners van veel andere landen in de regio zouden dat zonder twijfel
ook graag willen. Het opmerkelijke is dat de Iranieuml;rs in de
gelegenheid waren  die wens tot uiting te brengen in verkiezingen waarin
ze een keuze hadden. Na een periode waarin Iran vooral ter sprake is
gekomen in verband met internationaal terrorisme, heeft het regime zich
daarin nu eens positief onderscheiden.


De gekozen president, hojatoleslam Mohammad Khatami, komt van binnen het
systeem, en er is geen enkele reden om aan te nemen dat hij de
Islamitische Republiek zou willen opblazen.  Het is ook de vraag of de
meerderheid van de bevolking zo ver zou willen gaan. Maar een man die
heeft gezegd: ,,Het uitgangspunt is vrijheid, en vrijheid is een van de
meest waardevolle aspecten van de menselijke gemeenschap'' en die in
zijn ambtsperiode als minister van Cultuur de pers en intellectuelen
aanzienlijke ruimte heeft gegeven, kan met tweederde van de stemmen
achter zich wel degelijk iets veranderen in Iran.

Daarbij zal Khatami zeker tegenwerking ondervinden van de conservatieve
geestelijkheid. Als president zit hij ingeklemd tussen twee
conservatieve machten: de Opperste Leider, ayatollah Ali Khamenei, die
het laatste woord heeft, en de parlementsmeerderheid onder aanvoering
van zijn verslagen rivaal hojatoleslam Ali Akbar Nateq-Nouri. Het nieuwe
staatshoofd vindt daarentegen de pragmatici, de vertrekkende president
Rafsanjani voorop, aan zijn zijde. De permanente machtsstrijd tussen
technocraten en ideologen die de Islamitische Republiek Iran sinds haar
geboorte in 1979 kenmerkt, wordt dan ook gewoon voortgezet. Maar de
slinger slaat steeds minder ver terug: ondanks de conservatieve
geestelijkheid ontwikkelt Iran zich  van mullacratie tot een gewoon
land; de grenzen van wat kan, worden steeds verder opgerekt.

IN DE BUITENLANDSE politiek, die Opperste Leider Khamenei tot zijn
domein rekent, gaat de ontwikkeling, zeker verbaal, nog veel langzamer.
Het is bijvoorbeeld een illusie te denken dat Khatami de kwestie-Rushdie
zal kunnen oplossen. De islamitische leiders hebben die zaak in feite
tot symbool van hun bewind gemaakt. En het internationaal terrorisme
behoort ook niet tot Khatami's takenpakket.

Toch is Iran ook op buitenlands politiek gebied in de afgelopen achttien
jaar veranderd. De houding is, zeker in regionale affaires, geruisloos
bijgesteld  van confrontatie naar bemiddeling. En het ontbreken van een
relatie met de Verenigde Staten wordt uiteindelijk meer in Washington
bepaald dan in Teheran. Ook het conservatieve establishment heeft de
buitenwereld nodig: de slechte economische situatie wettigt geen
revolutionair hobbyisme.










