


Overheid en fatsoen





HET IS EEN VRAAG die zich telkens weer opdringt: denkt de overheid
werkelijk zichzelf boven de strafwet te kunnen stellen? In Nijmegen
loopt een beklagprocedure over het afzien van een strafvervolging tegen
de gemeente wegens geknoei met verontreinigde grond, ook al heeft de
Hoge Raad uitgesproken dat overheden in beginsel niet kunnen worden
vervolgd voor hun daden. Maar nu heeft het Comiteacute;
Asbestslachtoffers toch weer een strafklacht ingediend tegen het
ministerie van Defensie omdat het zijn personeel in het voormalige 
NAVO- commandocentrum De Cannerberg bij Maastricht jarenlang moedwillig
aan asbestgevaar zou hebben blootgesteld.


Defensie leverde drie jaar geleden nu juist het precedent voor de
strafrechtelijke overheidsimmuniteit in een uitspraak van de Hoge Raad
over de vliegbasis Volkel. Dit betrof het herhaaldelijk en rijkelijk
morsen met vliegtuigbrandstof. Een particuliere dader zou geheid zijn
veroordeeld voor een dergelijke milieuvervuiling, maar de Hoge Raad zei
dat de staat niet op eacute;&eacute;n lijn kan worden gesteld met
gewone burgers. Dit standpunt werd begin april nog eens herhaald door
minister Sorgdrager (Justitie) in een nota over de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van overheidsorganen.

DE BEWINDSVROUW beperkte de strafrechtelijke immuniteit met nadruk tot
typische overheidshandelingen. Over de precieze omvang van deze
beperking is zowel juridisch (Nijmegen) als politiek (getuige kritische
reacties in de Tweede Kamer) het laatste woord nog niet gezegd. Het
runnen van een militair commandocentrum kan moeilijk anders worden
gekwalificeerd dan als een typische overheidstaak. Daarbij past in de
woorden van de minister een bepaalde beleids- en beoordelingsruimte.
Deze vormt geen vrijbrief voor ,,evident onrecht'' maar betekent slechts
dat het strafrecht moet terugtreden ten behoeve van ,,speciale
controlemechanismen''.

In het geval van De Cannerberg heeft het ministerie van Defensie een
plicht tot schadevergoeding aan asbestslachtoffers erkend. Maar deze
wordt naar de mening van het ministerie beperkt door de algemene
verjaringstermijn van dertig jaar. De incubatietijd van asbestziekte
stoort zich niet aan deze wettelijke termijn. Het beroep daarop door
Defensie heeft geleid tot verontwaardiging. De verjaringstermijn is veel
minder de fatale wet van Meden en Perzen die hij op het eerste gezicht
lijkt. In feite vervalt alleen de rechtsvordering, de mogelijkheid
schadevergoeding bij de rechter af te dwingen. Het recht op
schadevergoeding als zodanig blijft wel degelijk overeind in de vorm van
een dringende verplichting van maatschappelijk fatsoen (een zogeheten
,,natuurlijke verbintenis'').

DEZE KWALIFICATIE is in de rechtspraak in de tijd dat echtscheiding nog
gebonden was aan de schuldvraag, gehanteerd toen een gewezen echtgenoot
zich toch gehouden achtte alimentatie te betalen aan zijn ex-vrouw,
hoewel zij daar als ,,schuldige'' partij geen formele aanspraak op kon
doen gelden. Daarmee vergeleken kan het toch moeilijk een vraag zijn of
de overheid zich het lot aantrekt van werknemers die ondanks
waarschuwingen jarenlang zijn blootgesteld aan ziekmakende stoffen. Met
reden waarschuwde oud-minister De Ruiter in een advies aan de regering
dat de juridische lijdensweg van de asbestslachtoffers van Defensie
noopt tot ,,bezinning''. Er dreigt met andere woorden evident onrecht
dat om speciale maatregelen vraagt.

De precedentwerking van de tegemoetkoming door Defensie ten aanzien van
ander asbestgebruik bij de overheid vormt een niet te veronachtzamen
factor. De overheid zou toch zeker de maatschappelijke regels van
fatsoen moeten respecteren, temeer omdat zij niet aan strafrechtelijke
vervolging kan worden blootgesteld.










