


Tadic en Mladic





WEINIG VOORVECHTERS van de rechten van de mens hadden de voorspelling
aangedurfd dat de Verenigde Naties twee tribunalen zouden instellen voor
oorlogsmisdaden, een voor het voormalige Joegoslavieuml; en een voor
Rwanda, laat staan dat dit daadwerkelijk resultaat zou opleveren. Toch
is deze week in Den Haag nu het eerste internationale vonnis over
misdrijven tegen de menselijkheid sinds de Tweede Wereldoorlog geveld
over Dusko Tadic, een voormalige cafeacute;houder uit het
Joegoslavische plaatsje Kozarac die zich ontpopte als een kampbeul. Zijn
verweer dat hij gewoon thuis zat, werd door de rechter afgewezen. Hij
was in de streek zo bekend dat het onaannemelijk is dat alle getuigen
zich vergisten.


De weg naar het recht is niet gemakkelijk geweest, getuige de relatief
lange tijd die het Hof nodig heeft gehad voor zijn eerste oordeel. Dit
werd precies een jaar na aanvang van de terechtzitting uitgesproken.
Vergeleken met de tribunalen van Neurenberg en Tokio na de Tweede
Wereldoorlog hebben het Joegoslavieuml;-hof in Den Haag en zeker dat
voor Rwanda een duidelijke handicap. De nieuwe tribunalen zitten
letterlijk en figuurlijk verder weg van hun rechtsgebied. Zeker de
methodische administratie van de nazi's ontbreekt in de moderne etnische
conflicten, met alle elementaire bewijsproblemen van dien. Een eerste
zorg voor het Haagse tribunaal in de testcase-Tadic was dan ook te
demonstreren dat het uuml;berhaupt mogelijk is een eerlijk proces te
realiseren. Dit heeft geresulteerd in een uitvoerig en afgewogen vonnis
waarin het zwaartepunt van de bewijsmiddelen nu weer eens tegen de
verdachte uitvalt en dan weer in het voordeel van de twijfel. Daar moet
direct worden bijgezegd dat een belangrijk deel van de vrijspraken
berust op een juridisch strijdpunt dat verband houdt met het al dan niet
internationale karakter van het Bosnische conflict na de formele aftocht
van het federale Joegoslavische leger op 19 mei 1992. Dat maakt ook
nogal wat verschil voor nieuwe strafzaken. Het verdient in hoger beroep
nader aan de orde te komen, want het onderscheid doet nogal geforceerd
aan. De groot-Servische gedachte verdween niet samen met de federale
troepen uit het verscheurde gebied. De internationale maatregelen gingen
ook gewoon door.





BELANGRIJKE ONDERDELEN van de aanklacht tegen Tadic leiden niet tot
veroordeling, wegens gebrek aan bewijs, zoals een serie moorden. Ook
volgde vrijspraak voor het meest sensationale onderdeel van de
aanklacht, namelijk dat Tadic een gevangene had gedwongen de testikels
van een lotgenoot af te bijten en deze had laten doodbloeden. Tadic
geldt als ,,een kleine vis'', een eigentijdse illustratie bij het oude
gezegde dat goede huisvaders tot alles in staat zijn. De nu weacute;l
bewezen geachte gewelddaden, inclusief het ombrengen van twee
moslim-politieagenten, brengen de alledaagse gruwelijkheid van het
etnische conflict al onbehagelijk dichtbij.

Van belang is vooral de vaststelling door het tribunaal dat het hier
niet ging om geiuml;soleerde excessen maar om een stelselmatige en
georkestreerde etnische campagne. Een campagne waarin levensberoving en
geweldpleging niet alleen normaal zijn maar worden aangemoedigd en
beloond. Tadic was dan wel een gewone man, maar hij werd na de 'etnische
schoonmaak' benoemd tot plaatselijk secretaris van de Servische partij
en wist wel degelijk van ,,het plan'', zoals het Hof het ergens noemt.
Sinds Neurenberg en Tokio weten wij dat dit het individu niet ontslaat
van zijn eigen verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd wijst het zo
onderstreepte systematische karakter van de Bosnische gruwelen
onverbiddelijk naar de hogere echelons.





DAARAAN GEVOLG te geven, blijft ook na Tadic de proef op de som voor de
geloofwaardigheid van het internationale tribunaal. Tadic' veroordeling
brengt de berechting van leiders als Mladic en Karadzic geen stap
dichterbij. Dat geldt niet alleen voor de Servische kant. Terwijl twee
in staat van beschuldiging gestelde oorlogsmisdadigers openlijk in
Kroatieuml; verblijven, werd dat land toegelaten tot de Raad van
Europa. De instelling van het tribunaal werd onlangs in de
Netherlands Quarterly for Human Rights nog weer getypeerd als een
,,dubbelzinnig diplomatiek spel'' van publieke steun met allerlei
onuitgesproken praktische reserves erachter. Toch moeten de sceptici
toegeven dat het bestaan van het Hof een pressie heeft gegenereerd die
de diplomaten niet kunnen negeren. Daaraan draagt de uitspraak in de
zaak-Tadic in elk geval bij.










