


Sponsorschool





MEER GELD IS nooit weg. En gratis gekregen kost niks. Onder dit motto
accepteren inmiddels vele duizenden Nederlandse schoolleiders de meest
uiteenlopende lespakketten, nieuwe computerlokalen, kantines, leuke
prentbriefkaarten, discoshows, pakketten maandverband en wat de
verschillende bedrijven en instellingen verder zoal bij school komen
langsbrengen. Welke rector wil een dief zijn van zijn eigen
schoolportemonnee? Onderwijs komt altijd geld te kort. En aan een
McDonalds-reclame in de gang heeft nog nooit een leerling zijn
drie voor wiskunde kunnen wijten.


Begrijpelijk pragmatisme beheerst aldus het Nederlandse onderwijs. Want
ach, de meeste bedrijven die zo handig de jeugdmarkt bespelen of met een
gift van wat oude computers hun liefdadig imago in de samenleving kunnen
uitstralen, zullen zich toch nauwelijks serieus willen bemoeien met de
inhoud van de aardrijkskundeles of het onderwijs in repeterende breuken.

In werkelijkheid gaat het om de macht op school. ,,We moeten af van die
schijnheilige schroom voor het bedrijfsleven. Bedrijven zijn onze
toekomst, want de minister knijpt ons steeds meer af'', zei een moderne
rector in deze krant, anderhalf jaar geleden. En een directeur van een
basisschool meldde deze week het nog wel 'raar' te vinden dat ze voor
belangrijke onderwerpen afhankelijk was van commercieuml;le
lespakketten, maar: ,,We hebben gewoon te weinig geld.''

De tolerante houding tegenover sponsors in het onderwijs neemt de
proporties aan van een glijpartij op een hellend vlak. Lespakketten
worden al jaren rondgezonden, maar in toenemende mate blijken veel
schoolleiders extra bijdragen van derden als noodzakelijk te beschouwen
voor de goede voortgang van hun 'schoolbedrijf'. Schoolfeesten zijn
meestal al volledig gecommercialiseerd. Albert Heijn koopt op grote
schaal schoolkantines op. En helaas kennen niet alle bedrijven hun
maatschappelijke grenzen. 'Alcohol drinken kan op zijn tijd heel lekker
zijn', is de wervende kreet waaronder het Centraal Brouwerskantoor
lesmateriaal aanbiedt voor het vak verzorging aan middelbare scholen.

ZAKELIJK DENKEN zal het wel heten in modern schoolmanagersjargon. Want
scholen zijn tegenwoordig financieel onafhankelijk, op uitdrukkelijke
wens van Kamer en regering. Scholen krijgen van de overheid een
'lump sum'-budget en that's it. De middelbare scholen
varen al in dat wankele schuitje en over een paar jaar zijn de
basisscholen aan de beurt. De toenemende macht van sponsors komt in de
plaats van die van de terugtredende overheid. De retorische vraag luidt
of de onafhankelijkheid van het onderwijs daar mee gediend is. Inmiddels
is ook de Tweede Kamer bezorgd geraakt. Daarom sloot staatssecretaris
Netelenbos (Onderwijs) vorige week een convenant met
onderwijsorganisaties. In schoolmaterialen mag geen reclame voorkomen,
en met sponsoring moet 'verantwoord en zorgvuldig' worden omgegaan, zo
is afgesproken. Maar deze uiting van goede wil zal amper weerstand
kunnen bieden aan de harde werkelijkheid van de onderwijsfinancieuml;n.
De deelnemende organisatie van schoolleiders liet meteen al weten dat
zij de afspraak zal schenden als het overheidsbudget voor de scholen te
ver daalt.

Als Netelenbos haar strijd tegen commercialisering beperkt tot een
papiertje met fraaie handtekeningen, is duidelijk waar haar prioriteit
ligt: bij de cosmetische reinheid van de onderwijsbegroting. Want het
belangrijkste doel van de 'lump sum' is overschrijdingen op de
rijksbegroting te voorkomen. Dat ze geen onderzoek wil laten doen naar
de omvang van de 'derde-geldstroom' op de scholen doet het ergste
vrezen.

BIJNA ZEVENTIEN miljard gulden geeft de Nederlandse staat dit
jaar uit aan het primair en voortgezet onderwijs. Veel geld, maar de
gemeenschap draait er terecht voor op. Onderwijs is een zo cruciaal
collectief goed dat de leerplichtige staatsburgers het zelfs gedwongen
ondergaan. Dit basale inzicht wordt breed gedragen. En vrijwel niemand
twijfelt er serieus aan dat de staat - als enige legitieme
vertegenwoordiger van de gehele samenleving - de controle over het
leerplichtig onderwijs strak in handen moet houden, in het belang van
sociaal-culturele stabiliteit en de toekomst van de samenleving. Een al
te pragmatische houding tegenover sponsoring van het leerplichtig
onderwijs zal dit principe spoedig aantasten.

Als de geldnood op de scholen zo hoog is dat schoolleiders niet anders
kunnen dan de schooldeuren openen voor handelaren en fabrikanten die hun
waar willen komen uitventen, heeft het weinig zin om convenanten te
sluiten. Als het de Kamer ernst is met haar plannen voor een wet tegen
onderwijssponsoring, zal ze dus serieus rekening moeten houden met extra
uitgaven. En gezien de grote omvang van de bestaande
overheidsinvesteringen in het onderwijs ligt het voor de hand dat de
staat als 'hoofdsponsor' eenvoudigweg verbiedt dat commercieuml;le
instellingen voor relatief weinig geld een voet tussen de deur van de
duurbetaalde lesgebouwen kunnen krijgen. Nu wordt op school de
staatsbijdrage van miljoenen guldens beschimpt, maar de sponsor
geeuml;erd om een paar extra centen.











