


Dubbel veto





ALS ER IN DE   Raad van Ministers van de Europese Unie met meerderheid
wordt beslist, moet dat een gekwalificeerde meerderheid zijn op basis
van gewogen stemmen. Voor het bereiken van een meerderheid zijn 62 van
de 87 uit te brengen stemmen nodig ( 71 procent). De vier grote landen
hebben elk 10 stemmen, Spanje 8, Belgieuml;, Griekenland, Nederland en
Portugal elk 5, Oostenrijk en Zweden elk 4, Denemarken, Ierland en
Finland elk 3 en Luxemburg 2. Een bijkomende regel is dat als aan een te
nemen besluit niet een voorstel van de Europese Commissie ten grondslag
ligt dat besluit pas geldigheid verkrijgt als tien Raadsleden
voorstemmen, de zogenoemde dubbel gekwalificeerde meerderheid. (De
medewerking van zes in plaats van vier kleine landen is vereist.)


De procedure zorgt voor een zeker evenwicht tussen de belangen van de
grote en de kleine landen. Twee grote landen kunnen samen met een derde
grote of met minstens twee kleine een besluit tegenhouden, de kleinere
landen zien hun belangen bovendien gewaarborgd door de Commissie. Met
het oog op de uitbreiding van de Unie met landen in Oost- en in
Zuidoost-Europa zal dit stelsel overigens moeten worden aangepast -
zoals ook bij vorige uitbreidingen het geval is geweest. De doos van
Pandora dreigt dan weer open te gaan.

TOT OP HEDEN   geldt voor de terreinen van het Gemeenschappelijke
Buitenlandse en Veiligheids Beleid (GBVB) en de Samenwerking op het
gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken (SJBZ) de unanimiteitsregel.
Van afwijking van de unanimiteit (van opgeven van het vetorecht) kan
hier pas sprake zijn als de Raad dat, unaniem, in een zogenoemd
'basisbesluit' heeft vastgelegd. Eurocommissaris Hans van den Broek
heeft dit weekeinde op een bijeenkomst van de Europese Beweging
voorgesteld om, met uitzondering van militaire operaties, in het GBVB
het bestaande veto te vervangen door een soort dubbel veto. Waar nu
iedere lidstaat besluiten kan tegenhouden, zouden in de toekomst nog
slechts twee grote landen daartoe in gezamenlijkheid in staat moeten
worden gesteld.

De gedachte achter Van den Broeks suggestie lijkt te zijn dat in
kwesties van buitenlands en veiligheidsbeleid de kleine landen toch al
moeite hebben om van hun vetorecht gebruik te maken. Zij zouden hun
invloed beter in het aan besluitvorming voorafgaande overleg tot gelding
kunnen brengen. Anders gezegd, de kracht van hun argumenten is
belangrijker dan de juridische formaliteit. Bovendien, in het GBVB kan
alleen iets tot stand worden gebracht als de grote landen
overeenstemming bereiken.

VOOR EEN DERGELIJKE   redenering valt wel wat te zeggen. Maar waarom
niet het bestaande stelsel van besluiten bij gekwalificeerde meerderheid
toegepast? Ook dat respecteert de grote landen, maar evenzeer de kleine
egrave;n het laat ruimte aan de Commissie en aan de Raadsvoorzitter om
een specifieke rol te spelen. Het zou voor Nederland een aantrekkelijke
variant kunnen zijn, aantrekkelijker dan een botweg vasthouden aan een
niet langer geloofwaardig veto egrave;n aantrekkelijker dan de formule
van Van den Broek - die in feite bestaande functionele afspraken
openbreekt. Het voorzitterschap dat Nederland momenteel bekleedt, komt
van pas.











