


Leven en dood





AFBREKING VAN ZWANGERSCHAP en het zelfgewilde einde van het leven zetten
deze week de toon van het publieke debat. Minister Borst
(Volksgezondheid) moest zich in de Tweede Kamer verantwoorden over haar
uitspraak dat abortus in bepaalde gevallen mogelijk moet zijn, louter
wegens het geslacht van het verwachte kind. Haar collega Sorgdrager
(Justitie) presenteerde een plan om toetsingscommissies in te stellen
voor euthanasie of hulp bij zelfdoding door medici.


Beide onderwerpen hebben een hoog principieel gehalte gemeen, maar er
dient toch onderscheid te worden gemaakt tussen de vragen van leven en
dood aan het begin en aan het einde van het leven. Door de samenloop van
omstandigheden lijkt het wellicht of Nederland nu toch werkelijk aan het
afglijden is. Er is echter geen reden voor een fin de
siegrave;cle-pessimisme.

Minister Sorgdrager opereert uiterst behoedzaam. Voorshands beoogt zij
niet meer dan de justitie op enige afstand te zetten bij de beoordeling
van gemelde euthanasiegevallen. Verandering van de strafwet vindt zij
prematuur. Op termijn overweegt zij een wettelijke uitzondering te
scheppen voor de zorgvuldige arts.


WETSWIJZIGING IS EEN logisch
uitvloeisel van het instellen van toetsingscommissies. De stelling valt
zelfs te verdedigen dat deze commissies pas werkelijk zin hebben wanneer
de wet ook een grondslag levert voor hun toetsingsnormen. Tot dusver
zijn deze voornamelijk ontwikkeld door de strafrechter. De
toetsingscommissies zullen ongetwijfeld zorgen voor verbreding van de
beraadslagingen. Maar in de kern blijft iedere geaccepteerde euthanasie
een kwestie van 'overmacht', hoewel deze juridische formule eigenlijk
niet is bedoeld voor structurele kwesties. Een wettelijke voorziening
ten behoeve van zorgvuldige hulpverlening is overigens nog niet
hetzelfde als een automatische uitzondering voor artsen. Ook medische
euthanasie dient uiteindelijk altijd strafrechtelijk verankerd te
blijven. Bij abortus is de afstand tot de strafwet groter, zij het niet
zonder problemen totstandgekomen. De Wet afbreking zwangerschap van 1981
belichaamt een politieke godsvrede. De grondregel is dat sprake dient te
zijn van een noodsituatie voor de vrouw die zwangerschapsafbreking
onontkoombaar acht doch dat zij primair zelf beslist. Deze basisformule
heeft haar waarde inmiddels bewezen, al was het alleen in de vorm van
internationaal gezien lage abortuscijfers. De formule stond deze week
dan ook niet ter discussie.

Het door de televisie aangezwengelde debat over lichtvaardige abortus
heeft een hoog onwerkelijkheidsgehalte. Het stempel 'lichtvaardig'
impliceert immers een externe beoordeling van zeer intieme menselijke
roerselen. Daar is geen medisch protocol voor te schrijven. Wat van
abortusartsen mag worden verwacht is dat zij zich er serieus van
vergewissen daacute;t een vrouw afbreking van de zwangerschap wil;
waarograve;m zij deze wil is uiteindelijk een zaak van haar
priveacute;leven.

TOCH WRINGT ER iets wanneer vrouwen overgaan tot abortus omdat ze een
meisje verwachten dat niet welkom is aangezien er een stamhoudertje moet
komen. Dat kan met name bij nieuwe Nederlanders uit een traditionele
culturele of religieuze achtergrond tot zulke problemen leiden dat de
term noodsituatie voor de individuele vrouw op zichzelf niet misplaatst
is. Maar respect voor haar priveacute;-leven botst hier met het
beginsel van gelijke behandeling dat het maken van onderscheid naar
geslacht ten principale verbiedt. Dat is ook een grondwettelijk
beschermde waarde.

Het dienstbaar maken van abortus aan religieus-cultureel bepaalde
vooroordelen stuit tegen de borst. Dat betekent niet dat uitgerekend de
arts, voor wie toch altijd de individuele noodsituatie voorop zal moeten
staan, dan maar als politieman van het multiculturele niemandsland moet
optreden. Minister Borst merkte niet ten onrechte op dat deze kant van
de zaak de termen van het parlementaire vragenuurtje te buiten gaat. Dat
maakt het multiculturele aspect overigens niet minder van belang.
MINISTER DIJKSTAL heeft in het kader van het minderhedenbeleid een
discussie aangezwengeld over de multiculturele samenleving. Deze heeft
hem al tot de conclusie gebracht ,,dat wij heel veel wetten uiteindelijk
ter discussie moeten stellen''. Zo vraagt hij zich hardop af of deze
multiculturele samenleving straks naast de zondagswet niet ook een
vrijdags- of zaterdagswet zal moeten invoeren. Een goede vraag. Het
abortusdebat illustreert dat het ook zijn aandacht verdient hoe nieuwe
'import'-confessionelen kunnen worden aangesproken op hier te lande
geldende rechtsbeginselen.











