


Stroomsector vraagt 2 miljard voor fusieplan






Door onze redacteur THEO WESTERWOUDT


ROTTERDAM, 25 JULI. De vier Nederlandse stroomproducenten vragen 2
miljard gulden van de overheid voor de fusie tot Grootschalig
Productiebedrijf. Dit bedrag dient ter compensatie van onrendabele
investeringen die mede zijn gedaan op aandrang van de overheid.


Ook willen de vier bedrijven en de energiekoepel SEP vrijstelling van de
winstbelasting voor dit nieuwe GPB tot 2001. Dit blijkt uit
vertrouwelijke documenten die de fusiepartners en hun beoogde
aandeelhouders, de Nederlandse energie-distributiebedrijven, hebben
opgesteld.

Per 31 maart volgend jaar moet de fusie van de vier
stroomproductiebedrijven EPON (Noord- en Oost-Nederland), UNA
(Amsterdam, Utrecht en Noord-Holland), EZH (Zuid-Holland) en EPZ
(Zuid-Nederland) een feit zijn. Direct daarna begint een ingrijpende
herstructurering van het nieuwe bedrijf die 1.500 van de 5.300 banen
kost, het eigen vermogen fors moet opvoeren - door uitstel van
investeringen tot 2003 - en het rendement verbeteren.

Minister Wijers (Economische Zaken) is een van de voorvechters van het
nieuwe GPB, dat de centrale Nederlandse elektriciteitsvoorziening in een
vrije Europese energiemarkt een concurrerende positie moet verschaffen.
Zonder de fusie zouden de afzonderlijke bedrijven ten prooi kunnen
vallen aan overnames door grote buitenlandse energieconcerns. De
centrale stroomvoorziening is (en blijft voorlopig) een
semi-overheidsbedrijf. Aandeelhouders worden de regionale
distributiebedrijven, die op hun beurt weer eigendom zijn van provincies
en gemeenten. Thans zijn de productiebedrijven EZH en UNA ook nog
eigendom van provincies en gemeenten.

Volgens de ontwerp-statuten van het nieuwe GPB kunnen alleen
distributiebedrijven (leden van de koepelorganisatie EnergieNed)
aandeelhouders zijn. De aandelen van provincies en gemeenten die nu nog
eigenaren van EZH en UNA zijn worden gecertificeerd, desnoods ,,zonder
medewerking'' (op aanwijzing van de minister, red.). Zij behouden alle
economische rechten, zoals recht op dividend, maar de
distributiebedrijven krijgen de beschikking over de
aandeelhoudersrechten, waarvan het stemrecht het belangrijkste is. Dat
recht moeten zij ,,mede in het belang van de certificaathouder(s)''
uitoefenen.  Het GPB moet volgens de fusiedocumenten een
commercieuml;le partij worden die tegen lage kosten elektriciteit
opwekt en aanbiedt, in het buitenland klanten probeert te vinden en
energieprojecten opzet of daarin deelneemt. Dat vergt een ingrijpende
verbetering van de efficieuml;ntie en kostenbesparing. Door sluiting
van oudere centrales wordt in 1998 en 1999 het vermogen met 1.500
megawatt verminderd en de overcapaciteit weggewerkt. Tegen 2001 moet een
vermindering van de operationele kosten zijn bereikt van 200 miljoen
gulden per jaar. In 2004 komt daar nog een besparing van 100 miljoen
bij. Dat is hard nodig, want de huidige productiekosten van de vier
regionale bedrijven liggen 10 tot 20 procent boven het niveau van de
tarieven die grootverbruikers in voordelige importcontracten kunnen
bedingen.

Daar staat tegenover dat een groot bedrijf als het GPB scherpere prijzen
voor brandstoffen kan bedingen. Behalve een grotere efficiency heeft het
GPB ook als voordeel dat het beter dan nu vraag en aanbod op elkaar kan
afstemmen, door een nauwe relatie met zijn aandeelhouders en grote
industrieuml;le afnemers.

In Nederland groeit de vraag naar elektriciteit met 1,9 procent per
jaar. Toch staat het marktaandeel van het GPB onder druk, door verlies
van klanten die zelf stroom gaan importeren en de sterke opkomst van
kleine warmte/krachtcentrales bij de industrie. Dit laatste effect wil
het GPB zoveel mogelijk compenseren door participatie in die kleinere
centrales.

Ook op de Europese markt krijgt het GPB het voorlopig moeilijk, want de
prijzen voor stroomproductie en export in Frankrijk en Belgieuml;
liggen lager dan in Nederland, omdat deze buurlanden een vrij groot
reservevermogen hebben. Ook de Duitse stroombedrijven beschikken over
een groot reservevermogen, maar de Duitse productieprijzen zijn
aanmerkelijk hoger dan in Nederland.

Het Grootschalig Productiebedrijf zal een onafhankelijke
dochteronderneming oprichten voor het beheer van het
hoogspanningsnetwerk. Daarover bestaat tussen de oprichters en minister
Wijers nog een geschil. Wijers wil dat het netwerkbedrijf een raad van
commissarissen krijgt met een meerderheid van onafhankelijke leden; de
oprichters zijn daar tegen.










