EMU-deelname wordt begin mei '98 beslist
Door een onzer redacteuren
NOORDWIJK, 7 APRIL. Begin mei volgend jaar zal de beslissing vallen
welke landen wel en welke niet deel mogen uitmaken van de eerste groep
van EU-lidstaten die beginnen met de Economische en Monetaire Unie
(EMU). Dit blijkt uit de tijdsplanning die de ministers van
financieuml;n en de centrale-bankpresidenten hebben de Economische en
Monetaire Unie dit weekeinde in Noordwijk overeen zijn gekomen.
Daarmee valt het besluit, en de behandeling daarvan in de nationale
parlementen, kort na de Franse parlementsverkiezingen, en kort
voacute;&oacute;r de Nederlandse parlementsverkiezingen. Deelnemers aan
de muntunie moeten over 1997 hebben voldaan aan een vijftal
financieuml;le criteria. De belangrijkste daarvan zijn een staatsschuld
die niet hoger is dan 60 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp)
en een begrotingstekort dat niet hoger is dan 3 procent van het bbp.
De EU-lidstaten dienen eind februari de gegevens over 1997 in, waarna
het Europese Monetaire Instituut (de voorloper van de Europese Centrale
Bank) en de Europese Commissie de cijfers bestuderen en eind maart met
hun conclusies komen. Vervolgens worden de gegevens voorgelegd aan het
Europees Parlement en, waar dat is afgesproken, de nationale
parlementen.
Tegen die tijd is het eind april. In eacute;&eacute;n weekeinde zullen
de ministers van financieuml;n hun uiteindelijke advies over welke
landen mee mogen doen geven aan de raad van staatshoofden en
regeringsleiders, die vervolgens het besluit over deelname neemt.
Minister Zalm wilde geen datum noemen, in verband met een afstemming met
het Europese Parlement. De bijeenkomst valt volgens bronnen
waarschijnlijk in het lange weekeinde van 1, 2 en 3 mei. Vrijdag 1 mei
is in veel landen een vrije dag. De ministers van financieuml;n legden
in Noordwijk de laatste hand aan het zogenoemde 'stabiliteitspact' dat
landen die deel uitmaken van de muntunie met elkaar aangaan. In de pact
verplichten zij zich om hun begrotingstekort te allen tijde onder drie
procent van het bruto binnenlands produkt te houden, en daarmee de
stabiliteit van de gemeenschappelijke munt, de euro, niet te
ondergraven. De bewindslieden kwamen een boetesysteem overeen voor
landen die de tekortnorm wel overschrijden. Als een muntunieland een
begrotingstekort heeft dat hoger is dan 3 procent, dan is het verplicht
een renteloos deposito te storten van 0,2 procent van het bruto
binnenlands produkt. Voor elke procent die de norm voor het
begrotingstekort is overschreden, komt daar nog eens een deposito van
0,1 procent van het bbp bij. Als het begrotingstekort tekort na twee
jaar niet ongedaan is gemaakt, dan vervalt het deposito tot een boete.
Wanneer ook in volgende jaren het tekort te hoog blijft, blijft het
systeem van kracht, zij het dat alleen 0,1 procent per procentpunt
tekortoverschrijding hoeft te worden afgedragen. Het maximum-deposito,
en dus ook de maximum-boete, is elk jaar 0,5 procent van het bbp. ,,De
sancties zijn als de huwelijkse voorwaarden,'' zei voorzitter J. Santer
van de Europese Commissie, ,,Je hebt ze hopelijk nooit nodig.''
Politieke, maar nog geen letterlijke overeenstemming werd in Noordwijk
bereikt over de bestemming van het boetegeld - aanvankelijk de rente
over het renteloze deposito en uiteindelijk de boete. Volgens minister
Zalm is afgesproken dat dit geld de muntunie-landen ten goede komt die
zich wel aan hun begrotingsnorm hebben gehouden.
Het Duitse ministerie van Financieuml;n ontkende vanmorgen met klem
berichten in de Britse pers dat de Duitse minister van financieuml;n
Waigel in de wandelgangen in Noordwijk zou hebben gezegd soepeler te
willen omgaan met de norm van een begrotingstekort van maximaal drie
procent voor toetreding tot de EMU. Waigel zou een grapje hebben
gemaakt, dat verkeerd is overgekomen. Ook W. Duisenberg, vanaf 1 juli de
opvolger van A. Lamfalussy bij het Europese Monetaire Instituut, zei
vanmorgen dat hij zich een soepeler opstelling van Waigel niet kon
voorstellen.
In Noordwijk is ook gepraat over begrotingsdiscipline van de Europese
Unie zelf. Duitsland en Nederland hebben er op aangedrongen dat de
Europese begroting minder snel groeit dan de Europese economie. Door
onder het uitgavenplafond van 1,27 procent van het Europese bbp te
blijven kan Brussel een buffer opbouwen, die vervolgens kan worden
aangewend als er nieuwe landen tot de Europese Unie toetreden. 
