Kabinet effent pad voor ingreep WW
Door onze redacteur FRANK van EMPEL 
DEN HAAG, 12 SEPT. Het kabinet
overweegt op termijn in te grijpen in de hoogte en duur van de
werkloosheidsuitkeringen. Dat valt op te maken uit de nota 'Werken aan
zekerheid', waaraan de meest betrokken ministers gisteren de laatste
hand hebben gelegd.
De nota, die met Prinsjesdag wordt gepresenteerd, zal als adviesaanvrage
naar de Sociaal Economische Raad (SER) worden gestuurd. In de nota
worden diverse ideeeuml;n geopperd die de uitstroom uit de WW moeten
bevorderen. Over een aantal zaken verschillen met name de ministers
Melkert (Sociale Zaken) en Wijers (Economische Zaken) van mening. De SER
krijgt de gelegenheid zich daarover uit te spreken. Een aantal
ideeeuml;n zal lagere en/of korter durende uitkeringen tot gevolg
hebben.
Zo vraagt het kabinet advies over de mogelijke introductie van een
middelloon-WW. Dat wil zeggen dat werklozen niet 70 procent van hun
laatstgenoten loon als uitkering ontvangen, maar 70 procent over het
gemiddelde loon dat in de voorafgaande dienstjaren is verdiend. Met de
eventuele introductie van een middelloon-WW wil het kabinet bevorderen
dat werknemers op latere leeftijd een stapje terug doen in salaris
(demotie). Momenteel weigeren nogal wat oudere werknemers
loonsverlaging, omdat ze vrezen dat dit bij werkloosheid leidt tot een
lagere WW-uitkering en een lager pensioen.
Bij de pensioenen heeft het kabinet al een voorkeur uitgesproken voor
het middelloon-stelsel. Wanneer het pensioen van werknemers wordt
gebaseerd op het gemiddeld over alle dienstjaren verdiende inkomen
(middelloon) in plaats van over het laatstgenoten loon (eindloon) maakt
het niet zoveel meer uit of mensen op latere leeftijd minder gaan
verdienen. Dat heeft dan niet zoveel effect op het pensioen.
Bij een eindloonstelsel ondervinden werknemers daarentegen vaak
tientallen jaren de financieuml;le nadelen van een stap terug in
inkomen in de jaren voor de pensioengerechtigde leeftijd. Het kabinet
wil dat de SER nu ook adviseert over de wenselijkheid van een
middelloon-WW. Aangezien werknemers over het algemeen gedurende hun
carriegrave;re meer gaan verdienen, zal de middelloon-WW doorgaans
lager uitvallen dan de huidige eindloon-WW.
Behalve de middelloon-WW wil het kabinet ook onderzoeken of de uitstroom
uit de WW bevorderd kan worden door introductie van spaarelementen in de
WW (de zogeheten spaar-WW of opbouw-WW). Daardoor krijgt de individuele
werknemer belang om werkloosheidsperiodes zo veel mogelijk te voorkomen
c.q. zo kort mogelijk te houden. Net als de middelloon-WW is ook dit
idee ingebracht door minister Wijers (Economische Zaken). Het is de
bedoeling dat de werknemer een eigen spaartegoed vormt, dat ter
beschikking staat in periodes van werkloosheid en dat dan naar eigen
inzicht kan worden aangesproken. Het oorspronkelijke plan van Wijers was
ongebruikte spaartegoeden uit te keren vanaf de pensioengerechtigde
leeftijd.
Volgens minister Melkert (Sociale Zaken) is dit laatste onhaalbaar omdat
het tot veel hogere WW-premies leidt. De WW-premies worden dan immers
niet meer gebruikt om de uitkeringen van dat moment te financieren
(omslag van premies), maar om rechten voor later op te bouwen.
Evenals de middelloon-WW leidt ook de spaar-WW in de meeste gevallen tot
lagere en/of korter durende uitkeringen. Werknemers die een goed
verdienende partner hebben zullen er bijvoorbeeld voor kiezen om geen
gebruik te maken van het recht op WW bij werkloosheid, maar om dit op te
sparen voor later. De spaar-WW is bovendien een financieuml;le
stimulans om de periode van werkloosheid zo kort mogelijk te houden.
Een variant op de spaar-WW is de opbouw-WW. Deze is oorspronkelijk
bedoeld om uitzendkrachten en andere flexibele werknemers gemakkelijk
aan de zogeheten referte-eis in de WW te laten voldoen. Het recht op WW
wordt hier opgebouwd. Een week werken geeft bijvoorbeeld recht op
eacute;&eacute;n dag WW. Om in aanmerking te komen voor WW moet
momenteel in de 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, in
minimaal 26 weken in dienstbetrekking zijn gewerkt. Bovendien moet in de
5 kalenderjaren voor het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag ligt,
minimaal 4 kalenderjaren over tenminste 52 dagen per jaar loon zijn
ontvangen. Bij de opbouw-WW kunnen met name flexibele werknemers dit
recht tussen verschillende perioden van tijdelijke werkloosheid door
geleidelijk opbouwen. Dat is nu nog niet mogelijk. Tenslotte wil het
kabinet advies hebben over de wenselijkheid van premiedifferentiatie in
de WW. Minister Melkert is voorstander van hogere WW-premies per
onderneming al naar gelang zij in het verleden meer werknemers naar de
WW hebben gestuurd (zogeheten experience rating). Zijn collega Wijers
wijst het idee echter af, omdat met name kleinere bedrijven volgens hem
helemaal geen greep hebben op het risico van werkloosheid. Zij zijn
overgeleverd aan de grillen van de economie. Ervaringen in de VS met
premiedifferentiatie in de WW hebben uitgewezen dat de werkloosheid met
15 procent kan dalen als de WW-premie voor de helft zou afhangen van de
uitkeringslasten die een bedrijf in het verleden heeft veroorzaakt.
Binnen de regeringspartij PvdA zijn de meningen over
premiedifferentiatie in de WW verdeeld. Het Tweede Kamerlid R. van der
Ploeg heeft zich hiertegen verzet. Zijn collega K. Adelmund heeft
vandaag in de nota Sociale zekerheid bij de tijd, die zij schreef ten
behoeve van een PvdA-congres in februari 1997, juist sterk gemaakt voor
premiedifferentiatie. Ook fractievoorzitter J. Wallage betoonde zich
eerder voorstander.
