Geen tranen, wel kippenvel bij dragen vlag
Door onze redacteur WARD OP DEN BROUW 
ATLANTA, 18 JULI. Roeier Nico Rienks, initiatiefnemer van de Holland Acht, is ui
tverkoren om morgen
bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Atlanta de
Nederlandse vlag te dragen.
Tafeltennisster Bettine Vriesekoop vindt de keus van de vlaggendrager
per definitie een oneerlijke aangelegenheid. ,,De oudste van de ploeg
moet de vlag dragen. Zolang dat niet gebeurt, worden appels met peren
vergeleken. Je kan moeilijk zeggen dat de ene sporter beter is dan de
andere. Het blijft voor een groot deel willekeur.''
Vriesekoop stond niet op het groslijstje dat chef de mission
Andreacute; Bolhuis al enige tijd op zak had tot hij gisteren
bekendmaakte dat roeier Nico Rienks de eer te beurt valt. Het dragen van
de vlag kost veel energie, veronderstelt de tafeltennisster, en kan een
negatieve invloed hebben op de sportprestaties. ,,Maar natuurlijk weiger je niet
 als je gevraagd wordt om de vlag te
dragen.''
Nico Rienks is een vlaggendrager met een eclatante staat van dienst, zei
Bolhuis gisteren. Met Ronald Florijn won hij op de Spelen in Seoul
(1988) goud in de dubbeltwee. Op hetzelfde onderdeel roeide Rienks (34)
met Henk-Jan Zwolle naar olympisch brons in 1992. Als vlaggendrager is
hij de opvolger van Carina Benninga. Tot Barcelona 1992 was het dragen
van de vlag een mannelijke aangelegenheid. Opmerkelijk was ook dat
Benninga na de Tweede Wereldoorlog de vierde hockeyer was die met het
rood-wit-blauw de Nederlandse equipe mocht aanvoeren. De eerste, in Rome
(1960), was Jan Willem van Erven Dorens, gevolgd door Nico Spits in
Muuml;nchen en Andr&eacute; Bolhuis in Montreal (1976).
De eerste Nederlander van wie bekend is dat hij bij de Spelen de vlag
droeg, was de krachtsportofficial C. Ploeger, in Stockholm (1912).
Sportleraar J.H. van Dijk nam de vlag op de eerstvolgende Spelen, in
Antwerpen (1920) van hem over. Diezelfde Van Dijk werd in Parijs (1924)
met die taak belast, gevolgd door bokser Sam Olij (Amsterdam, 1928),
ruiter Charles Pahud de Mortanges (Los Angeles, 1932) en hockeyer Rein
de Waal (Berlijn, 1936).
Na de oorlog zorgde Wim Landman in Londen (1948) voor een unicum. De
inmiddels overleden doelman van Scheveningen Holland Sport (SHS),
Neptunus en Sparta was de enige Nederlandse vlaggendrager die op de
Spelen niet in actie kwam. Landman was in Engeland reserve-doelman van
het olympisch voetbalteam. Simon de Wit, chef d'equipe van de zeilers,
fungeerde in Helsinki (1952) als vlaggendrager, judoka Anton Geesink in
Tokio (1964).
Oud-waterpoloeuml;r Fred van Dorp, vlaggendrager in Mexico-Stad (1968),
kijkt terug op een rijke olympische geschiedenis. Als achttienjarige
jongen stond hij in 1956 op het punt om als lid van het waterpoloteam
naar Melbourne te gaan, maar uit protest tegen de Russische inval in
Hongarije boycotte Nederland het evenement. In Rome, Tokio en
Mexico-Stad ging Van Dorp wel naar de Spelen. De laatste keer werd hij
aangewezen als vlaggendrager. Waarom hij? Van Dorp, woonachtig in
Leusden, kan er alleen maar naar gissen. ,,Misschien omdat ik voor de
vierde keer was geselecteerd en Mexico mijn laatste Spelen zou zijn.''
Van Dorp weet niet welke criteria er destijds werden gehanteerd bij de
verkiezing, ,,maar je mag aannemen dat het geen nietsnut is die niks van
zijn sport terechtbrengt''. Waterpoloeuml;rs zijn nuchtere jongens, die
niet snel hun emoties tonen. Ook niet bij het dragen van de vlag. ,,Ik
was wel even verrast, maar ik had geen last van huilbuien. Natuurlijk
voel je een bepaalde trots als je dat volle stadion in mag marcheren.''
Aan de openingsceremonie ging ,,droog oefenen'' vooraf, herinnert Van
Dorp zich. De verzamelde vlaggendragers kregen niet zomaar een paar
aanwijzingen. ,,
Daar werd veel werk van gemaakt. Dat oefenen duurde wel
tweeeuml;neenhalf tot drie uur.'' In Mexico-Stad trof hem vooral de
,,ontspannen sfeer en de gastvrijheid'', vooral van in Mexico
woonachtige Nederlanders. ,,We hoefden nooit een bus te nemen, we konden
altijd met ze meerijden. We zijn ook nog eens een dag en een nacht met
hen naar Acapulco geweest.''
Muuml;nchen (1972) bezocht hij als toerist, maar van Montreal (1976)
tot in Barcelona was Van Dorp er weer bij. Als scheidsrechter, met als
hoogtepunt het fluiten van de laatste olympische waterpolofinale, tussen
Spanje en Italieuml;. ,,
Met drie verlengingen.'' Een trip naar Atlanta heeft hij geen seconde
overwogen. Als internationaal waterpolobestuurder heeft hij
verplichtingen in Griekenland.
,,Bovendien is Atlanta geen leuke plaats'', zegt de nu 57-jarige Van
Dorp. ,,
Het is er ontzettend warm en een overnachting van 200 tot 300 dollar is
ook niet niks.'' Daarbij komt dat het hedendaagse waterpolo hem maar
matig kan boeien. ,,Je ziet weinig echt mooie partijen. Het is meer
handbal in het water geworden.''
De enige andere waterpoloeuml;r die de Nederlandse vlag droeg, was Ton
Buunk, in Los Angeles (1984). Vier jaar later, in Seoul, gevolgd door
Eric Swinkels. Chef de mission Bolhuis had de kleiduivenschutter dit
keer weer in het vizier. Maar Swinkels, die aan zijn zesde Spelen
begint, zei dat het dragen van de vlag zo leuk is dat hij dat genoegen
graag aan een ander gunt.
,,Het was een van de hoogtepunten in mijn leven. Ik kreeg er kippenvel
van. Al die mensen als je het stadion binnenkomt, ongeveer vijftig
camera's op je gericht. Het is een heel raar gevoel, vooral omdat we met
kleiduivenschieten niet gewend zijn aan publiek. Dat geeft echt een
kick.''
Uiteraard voelde Swinkels vier jaar terug in Seoul zenuwen. Daar deed de
,,gezellige'' vlaggentraining met de andere buitenlandse uitverkorenen
niets aan af. ,,Je oefent dan hoe je moet lopen, in welke richting en op
welk deel van de sintelbaan, zodat je in het stadion niet de verkeerde
kant oploopt.'' Een ingelijste foto van de openingsceremonie in Seoul is
het tastbare bewijs dat Swinkels - lichtblauw colbert met witte
verticale strepen - in Seoul de goede kant opliep. Het is afwachten hoe
Rienks het er morgenavond in Atlanta zonder zijn vertrouwde stuurman van
afbrengt.
