


Het nazi-goud





ZWITERSLAND IS   in ernstige verlegenheid gebracht in verband met nieuwe
beschuldigingen over de rol die Zwitserse banken en de Zwitserse
centrale bank hebben gespeeld bij de goudroof door de nazi's in de
Tweede Wereldoorlog. Het Zwitserse bankgeheim, in 1934 ingesteld om de
weggesluisde vermogens van Duitse joden te beschermen tegen de
grijpgrage handen van het nazi-regime, zal na parlementaire goedkeuring
terzijde worden geschoven om een diepgaand onderzoek mogelijk te maken
naar de financieuml;le betrekkingen met nazi-Duitsland en naar de
exacte omvang van de geroofde hoeveelheid goud die in Zwitserse kluizen
is ondergebracht. Vijftig jaar na het Akkoord van Washington, dat een
gedeeltelijke teruggave van in Zwitserland gedeponeerd goud regelde, is
zo'n officieel onderzoek niets te vroeg.


De kwestie van het nazi-goud behoort tot de meest cynische aspecten van
de financieuml;le betrekkingen in de Tweede Wereldoorlog. Het gaat
daarbij niet alleen om het goud van joodse slachtoffers van het nazisme,
maar ook om gestolen goudreserves van de centrale banken in landen die
door Duitsland waren bezet. Als neutraal land speelde Zwitserland
hierbij een sleutelrol. Bazel was tijdens de oorlog een centrum van
financieuml;le contacten. De Bank voor Internationale Betalingen (BIB),
begin jaren dertig opgericht door de centrale banken om de Duitse
herstelbetalingen van de Eerste Wereldoorlog te regelen, was in Bazel
gevestigd. Terwijl de oorlog in Europa raasde, vormde de BIB voor de
Reichsbank het onmisbare loket voor de financieuml;le betrekkingen met
de wereld. Vertegenwoordigers van de geallieerde centrale banken werkten
daaraan mee, ook al omdat de BIB fungeerde als een van de weinige
mogelijkheden voor directe contacten met nazi-Duitsland.

DE TERUGHOUDENDHEID van de Zwitsers om direct na de oorlog openheid van
zaken te geven en de latere weigeringen om het bankgeheim ten behoeve
van onderzoeken naar het nazi-goud op te heffen, hebben geleid tot
hardnekkige verdachtmakingen. De Britse bekendmaking van begin deze
maand dat er wellicht veel meer goud in Zwitserse kluizen lag dan na de
oorlog officieel is toegegeven, werpt nieuw licht op oude feiten.
Waarbij een niet onbelangrijk detail is of misschien een verspreking of
een verschrijving - ging het in 1945 om 500 miljoen dollar of 500
miljoen Zwitserse frank (200 miljoen dollar) - van het Britse Foreign
Office in de naoorlogse onderhandelingen met de Zwitserse centrale bank
de bron van alle verwarring vormt.

De tragedie van het geroofde nazi-goud is dat veel rechthebbende
overlevenden of nabestaanden moeilijk zijn te achterhalen, dat claims
zijn verjaard, rekeningen zijn opgeheven en archieven zijn vernietigd.
Bovenal valt de herinnering aan de holocaust met geen teruggave van goud
te verzachten. Dit alles neemt niet weg dat de Zwitserse banken en de
centrale bank eindelijk opening van zaken dienen te geven. Duitse en
geallieerde archieven kunnen hierbij behulpzaam zijn, evenals de
commissie die is ingesteld onder leiding van de Amerikaanse oud-bankier
Paul Volcker. Wat met de eventuele goud-deposito's uit de nazi-tijd
wordt gedaan, is van minder belang dan de onthulling van de waarheid
over deze zwarte bladzijde in de financieuml;le geschiedenis.











