


Arbil als inzet





DE VIJANDEN van mijn vijanden zijn mijn vrienden. Deze ijzeren wet van
de machtspolitiek verklaart de op het oog gecompliceerde verhoudingen in
Koerdistan, de etnische aanduiding van een gebied dat zich over een
aantal landen uitstrekt. In het Iraakse deel is de KDP van Barzani al
jaren lang in een verbitterd conflict gewikkeld met de PUK van Talabani.
De laatste is in de loop van de tijd steeds meer gaan leunen op steun
uit Iran en helpt dat land als tegenprestatie bij de bestrijding van
Irans Koerdische dissidenten, de KDPI. Barzani op zijn beurt sloot
tijdelijk een monsterverbond met Turkije tegen de PKK, de Koerdische
ultra's in Oost-Turkije. Maar Turkije kon om geografische en politieke
redenen weinig uitrichten tegen Talabani. In het zo ontstane gat is dit
weekeinde Saddam Hussein gesprongen.


Voor de Amerikaanse geloofwaardigheid is de inname van Arbil door
Iraakse troepen een zware slag. Irak boven de 36ste breedtegraad is door
Washington voor Saddams leger tot verboden terrein verklaard nadat de
Irakezen er, na de Golfoorlog te hebben verloren, flink hadden
huisgehouden. Iraks besluit om zijn troepen na de succesvolle actie van
dit weekeinde weer terug te halen overtuigt niet en laat Saddams
psychologische winst bovendien onverlet. Opnieuw heeft de Iraakse leider
de Amerikanen onaangenaam verrast en opnieuw neemt Washington de tijd om
zich te beraden op een passend antwoord.

 




HET VRAAGSTUK waarmee Clinton nu wordt geconfronteerd is te herleiden
tot een paradox in de Amerikaanse politiek ten aanzien van Irak. Van
Saddams nederlaag in Koeweit in februari 1991 is destijds bewust geen
gebruikgemaakt om hem uit de macht te verwijderen. Een van de
overwegingen was dat Irak als staat moest overleven om het
machtsevenwicht in de regio te bewaren. Toen de Koerden in het noorden
en de shi'ieten in het zuiden van de ogenschijnlijke zwakte van het
regime in Bagdad gebruikmaakten en in opstand kwamen, had Washington
aanvankelijk geen antwoord. Saddam maakte met harde hand een einde aan
de tweezijdige rebellie. Dat bracht dan toch nog de Amerikanen op het
toneel die samen met een aantal andere landen de omstreden gebieden tot
veilige zones verklaarden waar Saddam niets te zoeken had.

Sindsdien is Iraaks Koerdistan speelbal geworden van allerlei interne en
externe krachten. Na verkiezingen en een kortstondige vrede zijn de
Koerdische facties elkaar als vanouds in de haren gevlogen. De Turkse
PKK nestelde zich vervolgens aan de Iraakse kant van de grens om de
wraakacties van het Turkse leger te ontlopen waarop de Turken van het
gebied een vrije jachtzone hebben gemaakt. Iran van zijn kant deed, om
de 'eigen' KDPI te neutraliseren, deze zomer nog een inval tot ver in
Iraaks gebied. Alleen het Iraakse regime zelf blijkt de gramschap van de
internationale gemeenschap te kunnen opwekken als het in Koerdistan een
militaire operatie onderneemt. Historisch is dit verklaarbaar, maar
volkenrechtelijk blijft het op zijn minst merkwaardig.

 




DE ANARCHIE die in Koerdistan gaandeweg is ontstaan, maakt het de
Amerikanen nu niet eenvoudig om hun houding te bepalen. Tot nog toe is
het dan ook bij dreigementen en vlootbewegingen gebleven. Een
afstraffing van Saddam stuit bijvoorbeeld op de overweging dat Bagdad
ditmaal, anders dan bij de overval op Koeweit in 1990, geen enkele
internationale regel heeft overschreden. De status quo in Koerdistan
wordt niet regelrecht gedekt door enige Veiligheidsresolutie. Maar dit
probleem verbleekt bij de vraag waartoe een eventueel gewapend optreden
zou moeten leiden. Koerdische eenheid is een fata morgana gebleken. Een
militair optreden tegen Saddam zou in het licht van diens
gelegenheidsbondgenootschap met Barzani nauwelijks nog kunnen worden
uitgelegd als een maatregel ter bescherming van de Koerdische
minderheid.











