


Belgische zedenzaak





EEN LANGE TRADITIE van gematigdheid in strafrechtelijke aangelegenheden
in ons land wordt op het ogenblik zwaar op de proef gesteld. Dit
constateerde minister Sorgdrager (Justitie) in haar beleidsplan voor
rechtshandhaving en veiligheid dat zij bij het begin van het
parlementaire reces uitbracht. Zij kon daarbij niet de volkswoede
voorzien, zoals die in Belgieuml; is losgebarsten na de nog steeds
voortdurende ontknoping van een zedenaffaire met kinderen uit de buurt
van Luik. Deze schokkende zaak laat ook Nederland niet onberoerd, zeker
nadat een politie-inval op een adres in Amstelveen de mogelijkheid opent
van een Nederlandse connectie. Meer in het algemeen confronteert deze
zaak ook de Nederlandse publieke opinie weer eens met de kwetsbaarheid
van kinderen. Er zijn weinig delicten die zoveel weerzin oproepen als
misbruik van kinderen. In Belgieuml; klonk na de arrestatie van de
hoofdverdachte direct een roep om de doodstraf.


Deze roep had in dit geval ook het karakter van een reactie op het
tekortschieten van de justitie. Aan de hoofdverdachte was na een
veroordeling tot dertien jaar gevangenisstraf voor eerdere zedendelicten
na slechts drie jaar voorwaardelijke invrijheidsstelling verleend.
Juridisch-technisch mocht dit dossier in orde zijn, zoals de Belgische
minister van Justitie heeft gezegd, maar inhoudelijk heeft men
onmiskenbaar een gat laten vallen. Er werd afgegaan op ,,goed gedrag''
in een gevangenis waar de mogelijk explosieve confrontatie met kinderen
nu juist verregaand is uitgesloten. 


BELGIE MIST de strafrechtelijke maatregel van terbeschikkingstelling
(tbs) die hier in de regel voor agressief-seksuele delicten wordt
opgelegd. Deze maatregel staat in het teken van het gevaarscriterium en
kent speciale therapeutische en rechterlijke controlemogelijkheden. Ook
proefverlof of ontslag uit tbs blijven uiteindelijk een kwestie van
kansberekening, zij het wel een gecalculeerd risico. Juist bij
agressieve seksuele delinquenten ligt het recidivegevaar zelfs na tbs
volgens deskundigen toch nog altijd in de orde van een op tien. Het
alternatief van een automatische opsluiting voor het leven zou ten koste
gaan van de negen andere delinquenten die wel voor de samenleving te
behouden zijn. Deze prijs is principieel onaanvaardbaar - zeker in de
wetenschap dat in de vrije samenleving zelf met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid een aantal onontdekte individuele 'tijdbommen'
rondlopen die met geen juridische maatregel preventief onschadelijk zijn
te maken. Er zijn trouwens gevallen, juist waar agressieve pedofilie een
rol speelt, waarin de tbs in Nederland levenslang dicht nadert.

 


DE ANGSTIGE vraag is altijd weer of het betrekkelijk permissieve klimaat
in ons land juist op dit gevoelige gebied niet een voedingsbodem vormt
voor netwerkvorming. Maar het is oppassen met het voetstoots aannemen
van een verband tussen seksuele criminaliteit en het 'moet
kunnen'-ethos. Dat is in Belgieuml; trouwens veel minder ontwikkeld dan
in Nederland. Jaren geleden al merkte de criminoloog Kempe op dat de
gangbare seksuele moraal ook bij schijnbaar veacute;rgaande
veranderingen toch steeds ,,de moraal van normalen'' blijft, die zich
wel degelijk emotioneel blijven kanten tegen wat zij ervaren als
pervers. Permissiviteit moet bovendien niet worden verward met de
openheid, die juist als het om jeugdigen gaat door deskundigen en praktijkmensen

van essentieel belang wordt genoemd voor zowel het aan het daglicht
brengen als het verwerken van zedendelicten.

Na een aanvankelijke liberalisering is de Nederlandse strafwet trouwens
nog onlangs speciaal aangescherpt wat de kinderpornografie betreft, met
name wegens het verband met misbruik van jeugdigen. Daarbij werd in de
Tweede Kamer overigens gewaarschuwd dat de seksualiteit nogal wat grijze
grensgebieden kent en dat voorzichtigheid blijft geboden aangaande de
persoonlijke levenssfeer. Ook deze constatering had plaats voordat de
Belgische zedenzaak zich meester maakte van de publieke verbeelding. Nu
komt uit dezelfde hoek een roep om een DNA-databank die nog veel grotere
gevaren voor de privacy meebrengt.

 


ONBEGRIJPELIJK BLIJFT in elk geval het opheffen van de speciale
afdelingen voor jeugd- en zedenpolitie tijdens de grootscheepse
reorganisatie van het politiebestel die april 1994 in ons land haar
beslag kreeg. Technisch zal ook dit dossier wel in orde zijn geweest
(platte organisatie, despecialisatie, de preoccupatie met georganiseerde
criminaliteit), maar iedereen kon zien dat kostbare ervaringskennis werd
verspild.

Ook het verkeerstoezicht en de milieupolitie kregen organisatorische
opdoffers. Dit doet vermoeden dat er iets mis is met de prioriteiten binnen het

nieuwe politiebestel. Er is een golfbeweging binnen de politie tussen
specialisatie en despecialisatie, zegt minister Dijkstal (Binnenlandse
Zaken) filosofisch, en de nieuwe regiokorpsen zijn nu eenmaal op afstand
van de rijksoverheid geplaatst. Maar niet voor niets heeft de bewindsman
de knelpunten-evaluatie van het nieuwe politiebestel naar voren gehaald.











