


Schijn des kwaads





,,EEN RECHTER is nu eenmaal geen onbeschreven blad'', verklaarde
voorzitter P. van Dijk van de Nederlandse juristenvereniging onlangs in
de traditionele jaarrede. Behalve lid van de Raad van State is hij
rechter in het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg.
Dit hof heeft bij gelegenheid nogal wat nadruk gelegd op de plicht van
de rechterlijke macht iedere schijn van belangenverstrengeling te
vermijden. Van Dijk waarschuwde dat daarbij de realiteit in het oog moet
worden gehouden.


Zijn jaarrede zelf diende als voorbeeld. De voorzitter werd geprezen dat
hij niet heeft geschroomd als rechter de eigen jurisprudentie aan de
orde te stellen. Daar doet de rechterlijke macht van oudsher nogal
zenuwachtig over. Een gezaghebbende verduidelijking is echter van
belang, zeker nu sommige rechterlijke uitspraken in belang niet
onderdoen voor wetgeving. Legt een rechter die buiten de rechtszaal zijn
mening geeft, zichzelf echter niet al te zeer vast?

Blijkens het gegeven citaat is Van Dijk hiervoor niet beducht. De kern
van het rechterlijke vak is juist om een open geest te behouden ondanks
de omstandigheid dat iedere rechter onvermijdelijk mede wordt
beiuml;nvloed door eerdere standpunten die hij heeft ingenomen. Mits
zij maar openbaar - en dus tegensprekelijk - zijn. ,,Voorkennis is nog
geen vooringenomenheid'', aldus Van Dijk die waarschuwde tegen het
aanleggen van al te theoretische criteria. Op die manier zou vrijwel
geen enkele rechterlijke instantie in Europa nog ten volle aan de test
van de onpartijdigheid voldoen.

DE RECHTERLIJKE macht in Nederland zit met een allesbehalve theoretisch
probleem, een groeiende afhankelijkheid van met name advocaten als
rechter-plaatsvervanger. Daarbij gaat het om wel wat meer dan een
praatje voor de Juristenvereniging, die het per slot van rekening niet
voor het zeggen heeft. Er is een 'kauwgomcultuur' ontstaan, noteerde een
externe commentator onlangs in het tijdschrift voor de rechterlijke
macht naar aanleiding van een rapport van verontruste burgers. Deze
wijzen erop dat advocaten als rechter-plaatsvervanger een geheel eigen
soort van voorkennis meebrengen, het klantenbestand van hun kantoren.

Of zijn dit toch vooral ,,gefrustreerde spinsels'', zoals een columnist
in het Advocatenblad het eerder uitdrukte, een gezochte
identiteitscrisis waarin het bestaan van lieden die zaken weacute;l
kunnen scheiden, wordt geloochend? De schijn is tegen, wanneer - zoals
het rapport van de verontruste burgers signaleerde - advocaten
plaatvervangerschappen vervullen in alle drie de eigen gerechten. Om het
geld kan het niet zijn begonnen (de vergoeding voor de plaatsvervanger
is een fooi), dus de gedachten gaan al gauw in de richting van aanzien
en informatie die, zoals het oude gezegde luidt, macht is.

Afschaffen is echter ook weer te eenvoudig. Plaatsvervangers hebben vaak
een frisse kijk en bovendien ruime maatschappelijke ervaring of
gespecialiseerde kennis. Nog afgezien van het nut van een
plaatsvervangerschap voor de advocaat die overweegt over te stappen naar
de zittende magistratuur. Het systeem van de rechtspraak bevat
corrigerende elementen, zoals minister Sorgdrager (Justitie) vorig jaar
opmerkte tijdens haar begrotingsdebat in de Tweede Kamer.
Rechter-plaatsvervangers kunnen worden gewraakt of zich verschonen.
Voorzitters van de gerechten kunnen een preventief beleid voeren bij het
toedelen van zaken en sommigen hebben ook maatregelen genomen tegen
concentratie van plaatsvervangerschappen bij bepaalde kantoren. Er is
altijd hoger beroep en cassatie als correctiemiddel. Veel bezwaren tegen
rechters (plaatsvervanger of niet) blijken op de keper beschouwd vooral
bezwaren tegen een vonnis waartegen verder kan worden geprocedeerd.

Belangrijk vond Sorgdrager vooral dat niet alleen rechters maar ook
plaatsvervangers hun nevenfuncties openbaar maken en dat advocaten niet
in hun eigen rechtbank zitting nemen. Grof geschat is driekwart van de
advocaten die een rechter vervangen in de eigen rechtbank werkzaam. Het
is inderdaad moeilijk uit te leggen wanneer, zoals is voorgekomen, een
advocaat die een dag lang als rechter optreedt aan het einde plots van
het podium afstapt en plaatsneemt in de zaal omdat eacute;&eacute;n van
de vonnissen een eigen clieuml;nt betreft. Dat geldt overigens niet
alleen voor de balie. In de Eerste Kamer werd het met reden ongewenst
genoemd dat ambtenaren van Financieuml;n optreden als
raadsheer-plaatsvervanger in belastingzaken.

ALLE PROBLEMEN zijn met de stelregel van Sorgdrager niet uit te bannen.
Met name de gespecialiseerde advocatuur is een klein wereldje waarin men
elkaar ook ver buiten het eigen arrondissement kent. De noodzaak van
haar stellingname wordt in elk geval bevestigd door de weerstanden die
zij oproept. Verschillende plaatsvervangers weigeren hun belangen bekend
te maken. Daarop staat maar eacute;&eacute;n consequentie: terugtreden.
De rechterlijke macht moppert intussen dat er zo niet meer valt te
werken. Dat bezwaar raakt de kern van de zaak, de afhankelijkheid van
buitenstaanders zonder welke de rechtspraak niet kan functioneren.
Sanering is noodzakelijk. Het kabinet zal dan wel de budgettaire
consequenties moeten nemen: meer echte rechters.










