


De wereld uit





,,HET RECHT VAN oorlogvoerenden middelen te kiezen om de vijand schade
te berokkenen, is niet onbeperkt.'' Zo formuleerde de Haagse conventie
over de landoorlog reeds in 1907 een van de grote beginselen van het
humanitaire recht. Dit beginsel is ook van toepassing op de
kernbewapening, maar wordt daar tegelijk als nooit tevoren door op de
proef gesteld. ,,Een titanenstrijd tussen praktijk en principes'', zo
noemt een van de rechters het in het advies dat het Internationaal
Gerechtshof heeft uitgebracht over de rechtmatigheid van het dreigen met
of van het inzetten van kernwapens.


Deze vraag was het hof voorgelegd door de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties, die sinds 1961 keer op keer heeft uitgesproken dat het
gebruik van thermo-nucleaire wapens in strijd is met het internationale
recht en de wetten van de menselijkheid. De Algemene Vergadering stelt
echter het internationale recht niet vast. Ook het hof heeft de knoop
niet kunnen doorhakken. Dreiging met of gebruik van kernwapens is in het
algemeen in strijd met het internationale recht, maar het hof kan niet
zeggen dat dit ook opgaat voor extreme situaties van zelfverdediging
wanneer het voor een staat om pure overleving gaat.

 




DEZE UITSLAG VAN de rechterlijke inspanning vertoont kenmerken van een
,,non liquet'' (het is niet duidelijk), zoals dat in het
internationaalrechtelijke jargon heet. Zo'n gat in het recht is
onbevredigend. Juist in de betrekkingen tussen soevereine staten is
echter duidelijk dat men niet van de rechter kan verwachten dat hij
ieder gat dicht. Opmerkelijk is veeleer hoe dicht het Internationale
Gerechtshof een algeheel verbod van kernwapens is genaderd. De dubbele
stem van de president van het hof, Mohammed Bedjaoui, moest de doorslag
geven om de mogelijkheid van legitieme zelfverdediging open te laten. En
zelfs hij tekende daarbij aan dat men de overleving van de staat niet
zonder meer boven alle andere overwegingen kan stellen, in het bijzonder
niet boven de overleving van de mensheid zelve.

Het is ongemeen pittige taal voor een internationaal hof. Juridisch
gezien zijn er immers wel degelijk argumenten vograve;&ograve;r de
kernbewapening aan te voeren. Tegenover de niet-bindende resoluties van
de Algemene Vergadering staat de duidelijke taal van de
non-proliferatieverdragen. De term non-proliferatie (niet-verspreiding)
alleen al impliceert een erkenning van kernwapens. De cumulatie van
resoluties van de Algemene Vergadering heeft volgens een van de rechters
trouwens ,,geen noemenswaardig effect geproduceerd''. Droogjes noteert
hij dat het aantal tegenstemmers bij de rituele resolutie tegen de
kernwapens elk jaar groeit.

 




DE AFSCHRIKWEKKENDE werking van kernwapens is moeilijk weg te denken uit
de internationale betrekkingen, en dat is niet alleen slecht. Denk
alleen al aan zogeheten rogue states als het Irak van Saddam
Hussein. Het hof spreekt zich nadrukkelijk niet uit over dit aspect en
noteert alleen dat het afschrikkingsbeleid een feit is. Op den duur,
tekenen de rechters aan, moet het internationale recht en daarmee de
internationale stabiliteit wel lijden onder voortdurende onenigheid over
wapens die zo dodelijk zijn als het kernarsenaal. De
non-proliferatieverdragen mogen dan wel het bestaan van die wapens
erkennen, ze stellen zelf als einddoel een algehele ontwapening. Dit
einddoel heeft van de rechters in Den Haag ongemeen krachtige steun
gekregen.











