


Monumentenzorg





Hoe komt de Nederlandse omroep met goed fatsoen af van de overleefde,
verzuilde maar duchtig ingegraven zendgemachtigden zonder de kostbare
traditie van pluriformiteit te laten verslonzen tot een van staatswege
instandgehouden eenheidsworst? Dat is het dilemma waarvoor
staatssecretaris Nuis (Mediazaken) zich gesteld ziet. Na decennia van
lapwerk als gevolg van verzuilde coalitiepolitiek opende het 'paarse'
regeerakkoord een perspectief van structurele verandering. De concessies
voor de omroepverenigingen zijn alvast op vijf jaar gesteld. Maar hoe
moet het verder na het jaar 2000?


Omroep blijft politieke dynamiet, een onecht kind van de schoolstrijd.
De oude omroeporganisaties beschikken nog steeds over een heel netwerk
met politiek Den Haag. Inclusief het Zoetermeerse departement van Nuis.
In een zeldzaam recent vraaggesprek bezingt het invloedrijke hoofd van
de Directie Media, Letteren en Bibliotheken onbekommerd de ,,verkaveling
langs de oude verzuilde lijnen''. Daarbij doelde hij niet op de laatste
twee onderdelen van zijn pakket. Nuis heeft de hete aardappel van de
omroephervormingen eerst maar eens gedeponeerd bij een commissie onder
voorzitterschap van de gepensioneerde bestuursvoorzitter van het
mediaconcern Wolters-Kluwer, Ververs. Gisteren kwam de Commissie-Ververs
met een blauwdruk voor na de millenniumwisseling, een ,,moderne
netwerkstructuur die berust op twee zelfstandige pijlers die zonder
samenwerking niet kunnen functioneren''. Die twee pijlers zijn - men
raadt het al - de gezamenlijkheid en de afzonderlijke
omroepverenigingen. Het oude model dus, zij het in een nieuw jasje. Het
bestaande omroepbladenbestel, de monstrueuze koppeling tussen
zendtijdverdeling en de omroepgids, wordt vervangen door
omroepverkiezingen. Het is hoog tijd dat het omroepbladenbestel wordt
afgeschaft. Dit levert zoals de commissie zegt slechts een
,,dubbelzinnige legitimatie''. Gaat het nu om de omroep of om het blad?
Dit systeem berust bovendien op een monopolie van de omroeporganisaties
op de programmagegevens dat, ook Europeesrechtelijk, steeds meer
onhoudbaar wordt omdat het in wezen niet berust op de publieke taak.

Omroepverkiezingen als alternatief vormen echter vooral een formule met
een mooie toekomst achter zich. Ze bestendigen in feite ,,de oude
motieven en grondslag voor een publieke omroep'' waarvan de
Commissie-Ververs nu juist vaststelt dat ze ,,vervallen zijn''. Nodig is
een combinatie van functionele eenheid, pluriforme inhoud en
professionele uitvoering. Met omroepverkiezingen zoekt de commissie toch
weer een wettelijke formule bij het bestel en niet bij de publieke
dienst als onmisbaar contrapunt in een steeds meer door de kijkcijfers
beheerst medialandschap. De etikettenwisseling van NOS naar SON verhult
niet dat het hier alleen maar gaat om nog weer een reorganisatie van de
enorme bestuurlijke bovenbouw van de omroep. Deze werd tegen het eind
van de jaren tachtig eens betiteld als een dure vorm van monumentenzorg.
Zelfs de uit zijn krachten gegroeide aanspraak van de publieke omroepen
op drie televisie- en vijf radiozenders wordt door de Commissie-Ververs
als een vanzelfsprekendheid opgevoerd. Het regeren per commissie is leuk
geprobeerd van staatssecretaris Nuis maar hij moet nu toch zelf naar de
tekentafel voor de ,,sterke herkenbare publieke omroep'' die het
regeerakkoord van hem vraagt.









