


Aanslag in Dahran





ONMIDDELLIJK NA DE zware bomaanslag op een Amerikaans militair kampement
in Saoedi-Arabieuml; heeft president Clinton verklaard dat de
Amerikanen in dat land zullen blijven. Hoewel dat niet zijn bedoeling
was, heeft Clinton daarmee de hamvraag aan de orde gesteld: hoeveel
verliezen kunnen de Verenigde Staten incasseren alvorens de openbare
mening tot beeuml;indiging van de interventie dwingt?


In Vietnam heeft het jaren geduurd alvorens tot vertrek werd besloten.
Maar nadat in oktober 1983 in Beiroet een autobom 241 mariniers had
gedood, was het een kwestie van maanden alvorens president Reagan het
Amerikaanse contingent uit Libanon terugtrok. Gedurende relatief korte
perioden in Amerika's jongste geschiedenis hebben presidenten min of
meer de vrije hand gehad voor langdurige militaire actie overzee:
tijdens de Tweede Wereldoorlog en tijdens de veertig jaar dat de NAVO de
veiligheid van West-Europa verzekerde. Daarentegen raakten de
interventies in Korea en Indo-China omstreden vanaf het moment dat
duidelijk werd dat de verliezen groot waren en de gestelde doelen niet
werden bereikt. In Korea moesten de VS genoegen nemen met een
wapenstilstand met een agressor die zij hadden willen uitschakelen. In
Vietnam bleef het beoogde democratisch alternatief een wijkend
perspectief.

De geschiedenis leert dat behalve de omvang van de geleden verliezen ook
succes of het uitblijven ervan bepalend is voor de populariteit van een
militaire onderneming bij het Amerikaanse volk en de
volksvertegenwoordiging. Behalve dat er bij de interventie van begin
jaren tachtig in Libanon regelmatig slachtoffers vielen, de 241 vormden
een climax, kwam er van het Amerikaanse voornemen om het succes van
Eisenhowers interventie van 1958 te evenaren en de eenheid in dat land
te herstellen niets terecht. In Somalieuml; besliste de slachtpartij
onder Amerikaanse soldaten in de straten van Mogadishu enkele jaren
geleden over het lot van de interventie. Maar de uitzichtloosheid van de
situatie maakte het vertrek gemakkelijker.

 




DE AMERIKANEN ZIJN in Saoedi-Arabieuml; als uitvloeisel van de
Golfoorlog en als garantie tegen eventuele externe bedreigingen in de
toekomst. De band tussen de VS en de koninklijke familie is vanouds
hecht; de beteugeling van Saddam Hussein en van de paladijnen van het
Iraanse mollah-regime heeft de relaties alleen maar versterkt. De
olierijkdommen in de Golfstaten en de afhankelijkheid van Amerika's
bondgenoten van die olie vormen voor Washington voldoende reden om die
regio serieus te nemen.

Maar de aanslag in Dahran en de aanslag op een Amerikaanse faciliteit in
Riad in november vorig jaar versterken de indruk dat de stabiliteit in
Saoedi-Arabieuml; schijn is en de macht van het koningshuis omstreden.
De daders van de aanslag van november waren Saoedieuml;rs behorend tot
een islamitische beweging die ook elders actief is. Na hun
terechtstelling ontvingen de Amerikanen verschillende dreigementen. Maar
het werkelijke doel van de terroristen is toch vermoedelijk het
koninklijk huis zelf. Dat plaatst Washington voor een dilemma. Als
Saoedische dissidenten via aanslagen op Amerikanen de druk op het
koningshuis willen opvoeren, gaat de Amerikaanse aanwezigheid averechts
werken. En dat zou ondanks Clintons snelle reactie een factor van
betekenis kunnen worden bij het bepalen van de omvang en de duur van de
interventie daar.











