


De Bavo





De proefwerkweek aan het einde van het schoolseizoen levert voor de
leerlingen van de derde klas in het voortgezet onderwijs deze zomer geen
hoofdbrekens op. Wat tot vorig jaar altijd een spannende week was van
stevig leren, een slag om de rapportcijfers en de overgang, is nu een
makkie waarvoor ze niets hoeven voor te bereiden. Dat zit zo. Alle derde
klassers van het voorbereidend beroepsonderwijs, de Mavo, de Havo en het
VWO krijgen dezelfde toets. Het is een uitvloeisel van de basisvorming
die in 1993 werd ingevoerd met als doel om alle onderbouw-leerlingen in
hetzelfde verplichte pakket van vijftien vakken te onderwijzen en ze na
twee of drie jaar aan een collectieve toets te onderwerpen.


De Bavo is de troetel van progressieve onderwijskundigen van enige
decennia geleden. Het begon in de jaren zeventig met de voorstellen voor
de middenschool, de gelijkschakeling van alle onderwijs voor leerlingen
tot zestien jaar, van de toenmalige minister van Onderwijs Jos van
Kemenade (PvdA). Dit liep op niets uit, maar in 1986 kreeg de gedachte
van een middenschool een nieuwe impuls met het rapport Basisvorming in
het onderwijs van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Hierin werd voorgesteld om de eerste jaren van het middelbaar onderwijs
op te splitsen in twee niveaus. Weer enige jaren later, Jacques Wallage
(PvdA) was inmiddels staatssecretaris van Onderwijs, was het zover. De
oude schooltypes bleven weliswaar bestaan, maar ze werden verplicht drie
jaar basisvorming te geven in de onderbouw, af te sluiten met
eacute;&eacute;n toets voor alle leerlingen, ongeacht het schooltype.

Aan het betaande vakkenpakket werden drie nieuwe vakken toegevoegd:
techniek, verzorging en informatica. Dat oogde politiek correct:
handvaardigheid voor bollebozen, theorie voor de minder getalenteerden,
verzorging voor jongens, techniek voor meisjes. Het leverde hoofdbrekens
bij schoolleiders over het rooster, frustraties bij leraren over het
lespakket en minachting bij de leerlingen over deze vakken op.

Vorig jaar begon het beroepsonderwijs aan de Bavo-toetsing, deze zomer
gaan de meeste VWO'ers door de 'uniforme toetsing' van de Bavo. Voor
sommige leerlingen is het (te) lastig, voor anderen te doen en voor weer
anderen (veel) te gemakkelijk. Het resultaat zegt niets en het is voor
leraren, leerlingen en ouders een ongemakkelijke vertoning.

Ook tot het ministerie van Onderwijs is doorgedrongen dat de uniforme
toets aan het einde van de basisvorming nergens op slaat. Volgende maand
zal staatssecretaris Netelenbos (PvdA) waarschijnlijk besluiten om de
Bavo-toets af te schaffen. Niet - zoals men met gezond verstand zou
verwachten -  vanaf de zomer van 1997, maar vanaf 1998. De
voorbereidingen voor het komende schooljaar zijn al te ver gevorderd.

Maar goed, na een paar jaar Bavo-toetsen is het experiment voorbij en
komen er weer verschillende niveaus van toetsen voor het voorbereidende
beroepsonderwijs en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. De
Bavo-affaire zou afgedaan kunnen worden als een vergissing, een uitwas
van een te ver doorgeschoten onderwijsfilosofie, een gevolg van
politieke drammerigheid, als er niet eindeloze hoeveelheden
vergaderingen, onderzoekingen, werkzaamheden van commissies,
aanpassingen van lesprogramma's, ambtelijke richtlijnen en ander
ongerief mee gepaard waren gegaan. Wallage heeft als staatssecretaris
van Onderwijs de politieke verantwoordelijkheid gehad voor de invoering
van de basisvorming en voor de fusiegolf in het middelbaar onderwijs
waarbij kleine scholen werden gedwongen op te gaan in enorme
scholengemeenschappen. De gedachte dat deze leerfabrieken het onderwijs
zouden verbeteren, goed zouden zijn voor de opvoeding of
kostenbesparingen zouden opleveren, is inmiddels opgegeven. Zelfs in
Zoetermeer begint het besef door te dringen dat kleinere scholen
waarschijnlijk toch beter zijn voor kennisoverdracht en de vorming en
begeleiding van leerlingen. Het zal bij niemand verbazing wekken als
over enkele jaren scholengemeenschappen weer ontvlochten worden. Het
andere project, de basisvorming, wordt nu al in stilte teruggedraaid.

De politieke carriegrave;re van Wallage heeft onder dit doodgelopen
spoor van onderwijsbestuur niets te lijden gehad. Omdat hij de
basisvorming zo handig door het parlement had gemanoeuvreerd, werd hij
op de valreep in het vorige kabinet staatssecretaris voor Sociale Zaken
en na de verkiezingen van 1994 promoveerde Wallage tot fractieleider van
de PvdA in de Tweede Kamer. Het parlement is de laatste tijd in een
stemming van onderzoeken en enquecirc;tes. Een parlementair onderzoek
naar de verantwoordelijkheid voor de mislukking van de basisvorming zou
geen slecht idee zijn. De Kamer heeft wel minder krankzinnige affaires
onderzocht.









