


In de goede richting





HET ONDERWIJS is permanent in beweging. Na jaren van experimenten
beweegt de slinger zich in de richting van herstel. De voorstellen die
vorige week zijn gepresenteerd voor de inrichting van het voortgezet en
het hoger onderwijs grijpen terug op de situatie zoals die in het
verleden bestond. Stap voor stap worden de hervormingen en
bezuinigingsmaatregelen van weleer teruggedraaid.


Neem de uitwerking van HOOP, het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan. In
1982 werd de oude tweefasestructuur in het hoger onderwijs met een
kandidaats- en een doctoraalexamen afgeschaft en werd een uniforme,
vierjarige studieduur ingevoerd. Het kostte enige moeite om alle
faculteiten zover te krijgen, maar met dwang en financieuml;le sancties
is het Zoetermeer, de gecentraliseerde regelkamer van het Nederlandse
onderwijs, gelukt. Nu stelt minister Ritzen voor om het kandidaatsexamen
in ere te herstellen als de afronding van een driejarige studie en om
universiteiten de mogelijkheid te geven om van het keurslijf van vier
jaar af te wijken. Experimenteren met een vijfjarige opleiding mag ook.
Bovendien blijft het mogelijk om over te stappen van HBO naar
universiteit.

IN HET VOORTGEZET onderwijs heeft de vrije pakketkeuze zijn langste tijd
gehad. Bij een vorige onderwijshervorming was de verplichte vakkenkeuze
in de bovenbouw grotendeels afgeschaft, maar dat bleek toch niet goed te
werken. De vakkenkeuze sloot niet aan bij vervolgopleidingen of bracht
andere onderwijskundige problemen met zich mee. In het nieuwe plan voor
de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs, het zogenoemde Studiehuis,
liggen vier leerprofielen vast: cultuur en maatschappij, economie en
maatschappij, natuur en gezondheid, natuur en techniek. Deze richtingen
sluiten beter aan bij de veranderende maatschappelijke omstandigheden.
Ze roepen ook de herinnering op aan de traditionele indeling van het
middelbaar onderwijs in alfa, beta en, vooruit, HBS-A, HBS-B en MMS.

Nog een voorbeeld. Midden jaren tachtig introduceerde CDA-minister
Deetman de universele studiebeurs om een einde te maken aan de oude vorm
van studiekostenfinanciering. Daar kwam vervolgens een onbeperkt geldige
OV-jaarkaart voor studenten bij. Zo kreeg Nederland van het CDA een
beurzenstelsel dat uitblonk in generositeit en in regeldichtheid,
waarbij op iedere student op maat een studiebeurs werd afgestemd. Het
systeem was zo ingewikkeld dat de computers van de
uitvoeringsorganisatie vastliepen en het was zo kostbaar dat het
vervolgens als een salami in mootjes is gehakt.

De OV-jaarkaart geldt tegenwoordig nog slechts een beperkt aantal dagen
van de week en op de studiebeurs is zoveel gekort dat het met recht de
verdeling van armoede kan worden genoemd. En daar komt het CDA, gisteren
in Hilversum, met het voorstel om de ongelukkige erfenis van Deetman
maar helemaal af te schaffen en te vervangen door het oude stelsel van
inkomensafhankelijke beurzen en extra kinderbijslag voor ouders die de
studiekosten van hun kinderen betalen.

BEZINT EER gij begint is een tamelijk oubollig Nederlands spreekwoord,
maar in onderwijsland zou dit een uitstekende raadgever zijn geweest die
veel nodeloze veranderingen zou hebben voorkomen. De invloed van de
onderwijsbonden, de bescherming van eigenbelang, de onstuitbare
hervormingsdrift van de onderwijsdeskundigen en de regelzucht van
Zoetermeer hebben het Nederlandse onderwijs de afgelopen decennia tot de
speeltuin van experimenten gemaakt. Niet alles was verloren moeite en
niet alles wordt teruggedraaid. Maar het is pijnlijk om vast te stellen
hoeveel geld, energie, tijd en inspanningen gestoken zijn in
veranderingen die stapje voor stapje worden herzien. In de goede
richting, dat wel.










