De staat en het roken
'TABAKSONTMOEDIGINGSBELEID' is de weinig uitnodigende titel van een
nota die minister Borst (volksgezondheid) deze week aan de Tweede Kamer
zond. Deze titel klopt bovendien niet helemaal. Het kabinet gaat verder
dan alleen ontmoedigen en wil de verkoop van rookwaar aan jongeren
beneden de 18 jaar geheel verbieden. Sigarettenautomaten zullen moeten
worden aangepast en reclameposters in de buurt van scholen worden
geweerd. Het is een voor de hand liggende maatregel maar toch roept hij
een principieuml;le vraag op.
 Voor ieder mens geldt het even simpele als fundamentele recht om vrij 
te
zijn van staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer, om zijn leven
in te richten naar eigen goeddunken en zelfs om verkeerd te doen.
Althans, zolang men dit recht van anderen gelijkelijk respecteert. Dit
laatste brengt met zich mee dat niet-rokers aanspraak hebben op
bescherming tegen mee-roken. Met reden rekent de overheid zich het dan
ook tot haar taak haar burgers af te schrikken van deze slechte
gewoonte. Een verkoopverbod gaat echter een stap verder, ook als het
wordt beperkt tot jeudigen. De staat dient slechts bij hoge uitzondering
,,in loco parentis'' (in plaats van de ouder) te treden.
Er zijn niettemin klemmende argumenten toch tot verdergaande maatregelen
over te gaan. Onderzoek maakt aannemelijk dat de basis voor
nicotineverslaving juist op jeugdige leeftijd wordt gelegd. Zelfs
jongeren kunnen in deze tijd van wijdverbreide waarschuwingen over de
gevaren van het roken niet zeggen dat ze niet weten waaraan ze beginnen.
Maar de afweging van risico's die zich pas op termijn vervullen, is op
jeugdige leeftijd wel zeer abstract. De verlokking van het ogenblik
verdient derhalve bepaald een tegenwicht. Zeker nu de tabaksindustrie
niet ontsnapt aan het verwijt dat zij, op gespannen voet met de eigen
reclamecode, de jeugd op alle mogelijke manieren probeert te paaien.
EEN DOORSLAGGEVENDE REDEN juist bij jongeren te intervenieuml;ren, is
dat het onvergelijkelijk veel makkelijker is niet met roken te beginnen
dan te stoppen. Er zijn in het buitenland ook reeds allerlei precedenten
voor een verkoopverbod aan minderjarigen en in eigen land bestaan reeds
leeftijdsgrenzen voor de afzet van alcohol, softdrugs en krasloten en
het spelen op gokkasten. Vragen zijn er nog wel met betrekking tot de
consistentie van de nieuwe lijn van het kabinet (18 of 16 jaar?) en
natuurlijk vooral de handhaafbaarheid. Toch zal niemand om die reden de
alcoholverkoop geheel willen vrijgeven. Alle beetjes helpen.
Maar helpt niet vooral een fikse prijsverhoging? Waarschijnlijk niet.
Het valt te vrezen dat de prijselasticiteit bij beginnende rokers nihil
is. Bovendien komt een accijnsverhoging de overtuigingskracht van
overheid die wil ontmoedigen niet ten goede. Iedereen weet immers dat de
minister van financieuml;n zo'n meevaller maar al te dankbaar direct
als inkomstenpost boekt. En zo draagt een prijsverhoging alleen maar bij
aan het beeld dat de overheid als het om roken gaat van twee walletjes
eet. Want de enige reden de tabaksaccijns aan te passen, is dat
Nederland in Europa niet uit de pas moet lopen.
Alleen dit hoofdredactionele commentaar verwoordt de mening van de 
krant
