

Alledaags racisme





DE BEVRIJDINGSDAG werd dit jaar ontsierd door het bekladden van het
verzetsmonument in Vught met hakenkruisen en een verwijzing naar de Klu
Klux Klan. Het gedenkteken moest na een eerdere besmeuring al eens
geheel worden vernieuwd.


Het is daarbij voorzien van een beschermende
laag zodat de schade nu tenminste beperkt bleef. Zo'n smeerpartij is laf
en goedkoop en deed in de verste verte niet af aan de pogingen
Bevrijdingsdag een nieuw elan te geven, maar toch blijft het knagen. Het
aantal racistische incidenten in Nederland is in het begin van de jaren
negentig fiks opgelopen. En dan is er de recente schok van de brandbom
in de Haagse Schilderswijk waardoor een Turkse vrouw en vijf van haar
kinderen de dood vonden. Politie en justitie hebben hun onderzoek nog
niet afgerond en het is gevaarlijk voorbarige conclusies te trekken. Er
wordt echter geen mogelijkheid uitgesloten. Die omstandigheid alleen al
draagt bij tot een verhoogd besef dat ook Nederland niet immuun is voor
racisme en vreemdelingenhaat.





 HET WETENSCHAPPELIJK onderzoekscentrum van het ministerie van Justitie
heeft  op verzoek van de Binnenlandse Veiligheidsdienst een onderzoek
verricht naar aard en achtergronden van racistische incidenten en de
strafrechtelijke afdoening daarvan. De overgrote meerderheid van de
verzamelde gevallen heeft vooral een verbaal karakter (bekladding,
pamfletten). Fysiek geweld blijft uitzondering. Opmerkelijk is vooral de
constatering dat plegers van racistische delicten zelden tegen de lamp
lopen. In het peiljaar 1994 gingen de daders in 96 procent van de
gevallen vrijuit. Zelfs de aangehouden verdachten werden lang niet
allemaal voor de rechter gebracht. Toch is het een expliciete richtlijn
dat politie en justitie ,,alert'' dienen te zijn op discriminatoire
elementen in de gevallen waarmee zij te maken krijgen en een actief
opsporings- en vervolgingsbeleid moeten voeren.

De verklaring voor dit gebrek aan doortastendheid ligt waarschijnlijk in
de afwezigheid van een harde ideologische achtergrond bij de meeste
geconstateerde incidenten. Doorgaans spelen een combinatie van angst
(dat men tekortkomt) of frustratie (omdat men meent dat men tekort is
gekomen) ten aanzien van vreemdelingen een rol. Of pure sensatiezucht:
aandacht trekken dan wel het zoeken van een 'kick'. Dat zou ook het
grote aandeel van bekladding - bijna de helft van de verzamelde
incidenten - kunnen verklaren.





 HET IS VAN BELANG maatschappelijke tegenstellingen niet onnodig te
verharden. Toch baart de veronachtzaming van het racistische element in
de strafrechtelijke afdoening van de incidenten zorg. Deze zorg heeft
geleid tot pleidooien om racistisch geweld afzonderlijk strafbaar te
stellen in de wet of tenminste een speciale snelrechtprocedure in te
stelllen. Dat is een begrijpelijke reflex in een weerbare democratie.
Toch is dit onwenselijk en in elk geval voorbarig.

Gelegenheidswetgeving roept in het algemeen meer vragen op dan zij
beantwoordt. Het is gevaarlijk om een gezindheid als zodanig strafbaar
te stellen. De wet is voor iedereen gelijk, racist of niet. Eenieder
heeft aanspraak strafrechtelijk te worden beoordeeld op zijn doen en
laten en niet op zijn innerlijk. De persoonlijke elementen kunnen beter
worden overgelaten aan de rechter om eventueel te verdisconteren in de
straftoemeting. De wet laat daartoe al de nodige ruimte.

Politie en justitie hebben geen nieuwe wetsbepalingen nodig tegen
racisten maar - zoals de bestaande instructies het treffend noemen - wat
meer alertheid. 







