


Europese afgang





DE BUITENLANDSE politiek van de Europese Unie is een fiasco. Na de breuk
over China is er nu de schok uit Iran. De ayatollahs hebben de rollen
omgekeerd en de Duitsers in de strafbank geplaatst. Duitsland laat de
terroristen die het op de godsstaat Iran hebben gemunt vrij spel. Bonn
mag zijn ambassadeur thuis houden, wat Iran betreft voorgoed, evenals
Kopenhagen dat opnieuw zijn nek uitstak. De Europeanen hadden het regime
in Teheran een lesje willen leren na het Berlijnse vonnis dat de hoogste
Iraanse leiders verantwoordelijk noemde voor de moord, jaren geleden in
Berlijn gepleegd, op vier Koerdisch-Iraanse dissidenten. Maar Europa's
diplomatieke stappen hebben gewerkt als een boemerang. Voorzitter Van
Mierlo staat nu voor de nagenoeg onmogelijke taak de schijn van eenheid
te bewaren.


De diplomatie heeft zo haar eigen, vaak versluierende,
begrippenapparaat. De betrekkingen tussen de Unie en Iran stonden in het
teken van de 'kritische dialoog'. Deze term maakte het mogelijk
onbekommerd handel te drijven met en te investeren in Iran en
tegelijkertijd de pressiegroepen die verandering in dat land nastreven
op afstand te houden. Het aantrekkelijke van de 'kritische dialoog' was
dat hij achter gesloten deuren plaatshad en dat al naar gelang de
omstandigheden het accent kon worden gezet op 'kritisch' of op
'dialoog'. Het vonnis in het Mykonosproces heeft aan deze arkadische
toestand een eind gemaakt.

Met het terugroepen van hun ambassadeurs hebben de lidstaten van de Unie
het hoofd in een nieuwe lus gestoken. Onmiddellijk was duidelijk dat
niet meer werd beoogd dan een gebaar van ongenoegen te maken. De Duitse
minister Kinkel sloot sancties uit nog voor zijn ambassadeur had kunnen
rapporteren. Deze week besloten de Europese ministers al weer hun
vertegenwoordigers naar Teheran terug te sturen. Dit alles vanuit de
verkeerde veronderstelling dat de Iraanse leiders, onder de indruk van
de gespeelde Europese boosheid, hun dankbaarheid zouden tonen. De
Iranieuml;rs grepen de kans van een gemakkelijk propagandasucces. De
Unie heeft nu de keus tussen een afgang en een door haar niet gewenste
verharding van de Iraans-Europese betrekkingen.

HET VERENIGD EUROPA is in wezen een handelsblok, maar een met politieke
aspiraties. Als verbond van handelsnaties en thuisbasis van
multinationaal opererende ondernemingen heeft de Unie maar
eacute;&eacute;n doel: voordeel behalen op een wereldmarkt waar de
voortschrijdende liberalisering de concurrentie dagelijks zwaarder
maakt. Goede betrekkingen met afzetgebieden en met leveranciers van
onontbeerlijke basisprodukten zijn voorwaarde. Iran is een
potentieuml;le groeimarkt en tegelijkertijd beheerder van belangrijke
olievoorraden. Tot zover is er weinig mis met het Europese beleid.

Maar de politieke aspiraties van de Unie scheppen een fundamenteel
probleem. Vooraanstaande lidstaten hebben een geschiedenis van het
dragen van wereldwijde verantwoordelijkheden. In de Unie zien zij een
instrument voor het herwinnen van die gedurende de jaren vijftig
definitief verloren positie. De Europese staten hebben bovendien
aansluiting gezocht bij een sinds het einde van de Koude Oorlog
geprononceerder Amerikaans streven de wereld rijp te maken voor
zogenoemde Westerse waarden. Zo is een explosief mengsel ontstaan dat
voordelige handelsbetrekkingen ondermijnt. Het herleefde Eurocentrisme
en het gehamer op Westerse normen en waarden worden elders gewantrouwd
als slecht gemaskeerde pogingen de oude machtspositie opnieuw in te
nemen. Iran staat bepaald niet alleen in zijn afwijzing - zoals het
jongste incident met China onderstreept.

DE EUROPESE UNIE is nu zichzelf tegengekomen. Haar ontbreekt inzicht in
de mentaliteit en de beweegredenen van de landen op wie zij invloed
tracht uit te oefenen. In de afweging van zakelijke belangen en morele
beginselen trekken die landen nu aan het langste eind. Want Europa
beschikt blijkbaar niet over de macht om geloofwaardig op twee borden
tegelijk te spelen.










