


De Nimby-rechter





DREIGT HET EUROPESE HOF voor de rechten van de mens zijn tanden te
verliezen doordat er steeds meer rechters in komen te zitten uit
voormalige Oostbloklanden? Deze zorg is de laatste tijd bij herhaling
geuit in verband met de groei van het aantal van deze landen dat is
toegetreden tot het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).
Dit geldt als het toegangskaartje voor deelname aan de Europese
instituties en het geeft deze landen een zetel in het Hof dat over de
toepassing van het verdrag voor de rechten van de mens waakt. De vrees
is dat de ingeslepen autoritaire reflexen uit het verleden bij de nieuwe
rechters van Europa niet zo snel vallen weg te poetsen.


Vooralsnog valt dat wel mee, afgaande op de uitspraak van het Europese
Hof in de zaak van vier veroordeelde gangsters tegen Nederland. Hun
veroordeling werd afgekeurd wegens het gebruik van anonieme
politieverklaringen over een gewapende overval in Oirschot. Als gevolg
hiervan moest minister Sorgdrager, zeer tegen haar zin, hen onmiddellijk
vrijlaten. Hoewel Nederland in 1993 een speciale wet invoerde om te
voldoen aan een eerdere Europese uitspraak tegen de manier waarop ons
land omspringt met anonieme getuigen, blijkt dit nog steeds een
kwetsbaar element in de rechtsgang te zijn. De kersverse Nederlandse
raadsheer in het Europese Hof, de voormalige staatsraad Van Dijk,
erkende volmondig dat de gevolgde procedure in de zaak-Oirschot voor
verbetering vatbaar was, maar hij vond de Europese kritiek alles bij
elkaar genomen toch overdreven - mede gezien het gewelddadige karakter
van de overval.

Ook twee andere Europese rechters die de bezwaren van Van Dijk deelden,
waren van mening dat het ,,een grensgeval'' betrof. Deze karakteristiek
wordt eigenlijk ondersteund door de redengeving van het afkeurende
meerderheidsvonnis, dat het wel erg moet hebben van processuele details.
Blijft de intrigerende vraag waarom de meerderheid van het Hof toch
teacute;gen een keurig land (wat de rechten van de mens betreft) als
Nederland oordeelde. Het antwoord moet wellicht worden gezocht in de
verhouding tussen de manier waarop in Nederland tijdens de opsporing
aanwijzingen tegen de verdachte worden verzameld en de manier waarop de
rechter deze op de eigenlijke terechtzitting omzet in de grondslag voor
een veroordeling.

DE NEDERLANDSE strafrechter gaat in de woorden van de Amsterdamse
hoogleraar strafrecht (en voormalig officier van justitie) Schalken wel
erg af op een ,,papieren werkelijkheid'', het geprepareerde dossier, en
niet op eigen onderzoek. Zijn eveneens Amsterdamse collega Ruuml;ter
drukte het wat directer uit: ,,De Hoge Raad lijdt aan een echt
Nederlandse volksziekte, de gedoogziekte'' - ten aanzien van de politie,
wel te verstaan. Gemeenschappelijk element in deze diagnoses is dat de
risico's van de bijzondere opsporingsmethoden onvoldoende worden
gecompenseerd door rechterlijke controle op de kwaliteit van de
bewijsvoering.

Er is inmiddels toch een parlementaire enquecirc;te bijzondere
opsporingsmethoden gehouden? Deze heeft zich echter geconcentreerd op de
uitglijders van politie en openbaar ministerie. De rol van de rechter
die dit allemaal goedkeurde - of een oogje toekneep - kreeg veel minder
aandacht. Op de parlementaire hoorzittingen werd erkend dat ,,doorvragen
waar het dossier zwijgt'' wenselijk is. Het voornaamste resultaat van de
enquecirc;tecommissie was toch vooral een justiti&euml;le variant op het
Nimby-effect uit de ruimtelijke ordening (Not in my backyard): ,,Prima
rapport, moet ook worden uitgevoerd, maar niet door ons.''

De Straatsburgse uitspraak betekent dat daar nu ook wat de Nederlandse
rechter betreft een eind aan moet komen.










