


Wat te doen?





NOG MAAR EEN week geleden dachten de Europese leiders in president
Berisha een man te hebben met wie de chaos in Albanieuml; kon worden
bestreden. Nu smeekt het volledig geiuml;soleerd geraakte staatshoofd
om militaire bijstand. Zijn leger en politie zijn goeddeels verdampt,
geweren, tanks en gevechtsvliegtuigen zijn in handen geraakt van een
ongestructureerde massa geweldplegers. Kanselier Kohl,  op bezoek in Den
Haag, verzuchtte gisteravond dan ook niet te weten hoe hij soldaten zou
vertellen wat zij in Albanieuml; moesten doen.


Ruwweg bestaan er twee verschillende lezingen van de Albanese crisis. Volgens de
 meest verbreide analyse zou het gaan om een
soort volksopstand, voortkomend uit wanhoop ontstaan door het verloren gaan van 
bescheiden vermogens in een riskant kansspel. De ander veronderstelt een complot
 van
zich nu socialist noemende oud-communisten. Verhalen dat de verkiezingen
destijds frauduleus waren worden afgedaan als kwaadsprekerij.

Opvallenderwijs heeft de Europese Unie op aandringen van Italieuml;
zich tot dusver laten leiden door de eerste lezing. Berisha werd gemaand
een coalitie te vormen met de socialisten. Dat heeft de president
gedaan. Met de benoeming van een socialist tot premier en een aanbod van
algemene amnestie heeft Berisha wel zo ongeveer het laatste instrument ingezet
waarover hij nog kon beschikken. Tevergeefs. De opstandelingen weigeren
niet alleen hun wapens in te leveren, de rebellie slaat over naar de hoofdstad T
irana en naar het noorden
van het land.


DE VERWARRING waarin de Europese leiders zijn geraakt vindt haar pendant
in de totale machteloosheid van Berisha en zijn nieuwe regering. Premier
Kok zei gisteravond eerst maar eens op een uitspraak van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties te willen wachten. (Die is er
inmiddels, maar de raad houdt zich op de vlakte.) Minister Van Mierlo
zei op zijn beurt van een Europese ,,militaire preacute;sence'' in
Albanieuml; als zodanig al enig stabiliserend heil te verwachten. Ook
worden de Westeuropese Unie, de Organisatie voor Veiligheid en
Samenwerking in Europa en de NAVO genoemd. Maar het probleem is dat van
al deze organen de landen die een verschil zouden kunnen maken lid zijn.
Zij komen steeds weer zichzelf tegen.

Met enige nostalgie wordt herinnerd aan de toestand in Bosnieuml;. Daar
waren tenminste nog identificeerbare groepen en herkenbare leiders. In
Albanieuml; heeft de enig resterende gesprekspartner zijn familie
alvast naar het buitenland gestuurd.











