


De Hakkelaar





JOHAN V., alias de Hakkelaar, en twee kornuiten zijn na een spectaculair
proces door de Amsterdamse rechtbank veroordeeld wegens grootschalige
handel in hasjies. Deze uitspraak vormt een belangrijke bevestiging van
de grenzen van het Nederlandse gedoogbeleid. Dat de kleinschalige
verkoop van cannabis in koffieshops wordt getolereerd uit overwegingen
van ,,harm reduction'' betekent nog niet dat ons land de ogen kan
sluiten voor de activiteiten van een wereldwijde hasjiesjbende die in de
woorden van de rechtbank ,,zijn voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door
talloze vormen van onwettig handelen'' - ook al is niet geweldpleging
van enige omvang aannemelijk gemaakt.

De omstandigheid dat mindere goden in de organisatie al met het strafrecht hebbe
n kennisgemaakt vormt een
extra adstructie van de noodzaak door te stoten naar de criminele top.
De aanpak van bendevorming is in elk geval een voorwaarde voor het
scheppen van een toch al omstreden ruimte voor de 'joint' op het
kleinschalige koffieshop-niveau. Er mag aan worden herinnerd dat dit
Nederlandse fenomeen zijn oorsprong heeft in de zogeheten huisdealers in
jeugdhonken en niet bij misdaadconglomeraten.



DE HOOFDROL in deze strafzaak was intussen weggelegd voor de
kroongetuige. De rechtbank wil overigens van dit woord niet weten. Het
ging hier slechts om 'deals' met criminelen. En die zijn vaker
voorgekomen. Dit woordenspel doet geen recht aan de ernst van de zaak,
al is het juridisch verklaarbaar. Een van de voornaamste conclusies van
de parlementaire enquecirc;te opsporingsmethoden was nu juist dat de
kroongetuige niet dient te worden ingevoerd in het Nederlandse
strafrecht. Voor 'deals' moet daarentegen wel plaats zijn, zij het
slechts als uiterst middel. Het verschil is dat in dit laatste geval
niet sprake is van volledige strafrechtelijke immuniteit.

Deze grens is echter vloeiend en op de keper beschouwd niet ter zake.
Waar het om gaat is dat een verklaring wordt 'gekocht'. Hoe betrouwbaar
is zo'n verklaring dan nog? De een zegt dat de kroongetuige zijn oren
zal laten hangen naar wat er wordt verwacht door de aanklagers met wie
de deal is gesloten. Anderen zeggen dat dit de betrouwbaarheid ten goede
komt omdat de overheid de afspraak kan opzeggen als de kroongetuige niet
de waarheid spreekt.

De kracht van dit laatste argument is onderhevig aan twijfel vanwege de
niet te verwaarlozen mogelijkheid dat de belangen van aanklager en
kroongetuige nu net parallel lopen. De Amsterdamse rechtbank heeft zich
niet gewaagd aan deze ,,algemene discussie''. Deze hoort thuis bij de
wetgever. Dat eigenlijk een wettelijke basis nodig is, vormt volgens de
rechtbank echter geen reden af te zien van toetsing - en toelating - van
de kroongetuige in dit concrete geval, zij het onderworpen aan hoger
beroep en eventueel cassatie. Zo is het inderdaad eerder gegaan in het
geval van de undercover-agent, de pseudokoop en andere onorthodoxe
methoden op het drugsfront.

DE PARLEMENTAIRE ENQUEcirc;TE heeft nu net laten zien dat de regulering van
bijzondere opsporingsmethoden niet alleen kan worden overgelaten aan de
rechter. Het doorlaten van drugs is - ondanks rechterlijke toetsing in
het individuele geval - flink uit de hand gelopen. Op zichzelf was deze
methode net als de kroongetuige niet onredelijk. Maar hij leidde er wel
toe dat zo ongeveer de halve jaaromzet van de Nederlandse hasjiesjmarkt
met bewilliging van justitie en politie werd doorgesluisd. De
Amsterdamse rechtbank voelt ook wel nattigheid in het geval van de
kroongetuige. Zij wijst op ,,aanzienlijke complicaties'', noemt zichzelf
,,gehandicapt'' bij ontbreken van een wet en waarschuwt dat ,,een
verdergaand gebruik van deals het Nederlandse rechtsleven op termijn
danig kan beiuml;nvloeden - en niet alleen in gunstige zin''. Dit is
een nette manier om te zeggen dat de rechtbank door het Amsterdamse
openbaar ministerie voor een voldongen feit is geplaatst. Dat was nu net
de instantie die ooit het Interregionaal team Noord-Holland/Utrecht
hielp opblazen vanwege twijfels over de toelaatbaarheid van de gebezigde
methoden. Hoe serieus neemt dit OM de daaropvolgende parlementaire
enquecirc;te? Alleen het resultaat telt, liet een van de 'prijsboksers' die
het OM in stelling bracht tegen Johan V. weten in een weekblad. Maar de
manier waarop dat gebeurt heeft in het strafproces een speciale
betekenis.

DE ZAAK tegen de Hakkelaar vormde een herkansing voor een openbaar
ministerie dat door de parlementaire enquecirc;te - voorafgegaan door een
vloed van 'vormfouten' - aardig in diskrediet was gebracht. Dat heeft
het OM kennelijk geprikkeld tot het inschakelen van Amerikaanse
methoden. Niet alleen de kroongetuige, maar ook een eigen PR-adviseur.
De grote strafadvocatuur heeft deze laatste niet nodig; tijdens het
Hakkelaar-proces was zij niet weg te slaan bij de talk-shows op de
televisie. Toch is er een verschil. Het openbaar ministerie heeft een
eigen verantwoordelijkheid voor het aanzien van het recht. De 'mystiek
van het strafrecht' is dat wel genoemd. Dat is niet alleen een kwestie
van toga's en beffen maar ook van een habitus van justitieuml;le kalmte
die onontbeerlijk is voor een eerlijke berechting en voor de
overtuigingskracht van de strafrechtspleging. De Tweede Kamer wil nu een
gesprek met minister Sorgdrager van Justitie. Het marketingbeleid van
het postmoderne OM verdient inderdaad parlementaire aandacht. Deze moet
echter niet dienen als aflaat voor een indringende bezinning op de
verhouding tussen wetgever en strafrechter.











