


De boodschapper





DE MEDIA LIJDEN onder een maatschappelijk verwachtingspatroon. Als er
iets mis is in de samenleving worden media bijzondere krachten
toegedicht. Zij zouden een belangrijke bijdrage leveren aan het
bevorderen dan wel het tegengaan van waargenomen euvel. Soms worden zij
verdacht van al dan niet bewuste uitlokking, soms wordt publiciteit
beschouwd als panacee. Over seksueel misbruik van kinderen kan
tegenwoordig niet genoeg worden bericht, maar wanneer kinderen worden
omgebracht door in de war geraakte ouders, wordt 'radiostilte'
aanbevolen.


In beide gevallen wordt een vermenigvuldigingseffect aangenomen. Als het
publiek op de hoogte wordt gebracht van gevallen van misbruik van
kinderen, zo luidt de redenering, zullen ouders en verzorgers zijn
gewaarschuwd en beter in staat zijn kinderen te behoeden voor de
machinaties van de onverlaat. Aan het 'bespreekbaar maken' van een en
ander wordt grote betekenis gehecht. De mogelijkheid dat de
berichtgeving potentieuml;le kinderlokkers op een idee brengt, wordt in
een dergelijke therapeutische opzet verwaarloosd. Tegengesteld is de
reactie nu zich in betrekkelijk korte tijd een aantal schrijnende
gevallen hebben voorgedaan van het doden van kinderen door de eigen
ouder(s). Van dat nieuws zou een stimulerende werking uitgaan. Vandaar
de, overigens via de media, uitgesproken wens in dergelijke gevallen de
feiten niet bekend te maken. De kans dat berichtgeving het publiek
alarmeert en van therapeutische waarde kan zijn, wordt hier kennelijk
nihil geacht.

DE GEDACHTE DAT media in bepaalde gevallen terughoudend dienen te zijn
komt intussen niet uit de lucht vallen. De media, althans de
Nederlandse, hebben jaar en dag niet over zelfmoorden bericht op grond
van hetzelfde argument dat deze week werd aangevoerd ter ondersteuning
van het verlangen naar zwijgzaamheid over het ombrengen van kinderen
door ouders. Of in die jaren de zelfcensuur van de media invloed heeft
gehad op het aantal zelfmoorden, is niet na te gaan. In een tijd waarin
zelfdoding en euthanasie meer dan bespreekbaar zijn gemaakt, doet de
voorzichtigheid in specifieke gevallen misschien wat overdreven aan.
Maar nog steeds wordt zij betracht, zelfs wanneer de nieuwswaarde van
het onderhavige geval buiten iedere twijfel staat.

Media confronteren de samenleving met zichzelf. Dat behoeft niet
opzettelijk te zijn, maar het is wel het onontkoombare gevolg van het
publiekelijk melden van feiten en gebeurtenissen. In de dagelijkse ruis
van voorvallen is veel onaangenaam - slecht nieuws zogezegd. Maar de
maatschappelijke relevantie, de nieuwswaarde, bepaalt doorgaans wat wel
en wat niet wordt doorgegeven.

Over wat relevant, wat nieuws is bestaan evenveel opvattingen als er
journalisten zijn. Bovendien bepaalt het publiek dat mee. Nogal wat
nieuws is zonder weerklank gebleven omdat lezers, luisteraars, kijkers
en collega's niet van de maatschappelijke betekenis, van de nieuwswaarde
van het gemelde overtuigd raakten. Maar ook kan het verschijnsel te
maken hebben met taboes en met geestelijke vermoeidheid. Het publiek wil
niet altijd op de hoogte worden gebracht. W. Woltz, oud-hoofdredacteur
van deze krant, zei daarover een paar jaar geleden in zijn oratie ter
gelegenheid van zijn aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap
persgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit: ,,Vermoedelijk is veel
nieuws - vooral als het blijvend treurig is, zoals over Joegoslavieuml;
- aan dovemansoren gericht.''

TERUGHOUDENDHEID BIJ het verslaan van nieuws is geen originele gedachte,
zoals aangetoond. De vraag die overblijft is of het publiek recht heeft
op informatie - zelfs indien het publiek van dat recht soms zou willen
worden verlost. Het antwoord daarop moet bevestigend zijn. Het
alternatief is, inderdaad, radiostilte, maar dan naar willekeur en voor
onbepaalde tijd.











