


Waarborg van werk





DE WETENSCHAPPELIJKE RAAD voor het Regeringsbeleid, de WRR heeft een
uitmuntende neus voor politieke opportuniteit. Het rapport
Tweedeling in perspectief dat de WRR deze week uitbracht, is op
maat geschreven voor het beleid van het sociaal-liberale kabinet dat
betaald werk als de beste vorm van maatschappelijke emancipatie
beschouwt. Het rapport is in het bijzonder geschreven in de geest van
het beleid van eacute;&eacute;n minister. Met de conclusie dat de
,,waarborg van werk tot een kerntaak van de overheid zal uitgroeien'',
houdt de WRR een geleerd pleidooi voor wat in de omgangstaal
Melkert-banen heet. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de minister
van Sociale Zaken zich haastte te verklaren dat hij zich uitstekend in
het rapport kon vinden.


Een academische ondersteuning van het beleid kan op zichzelf welkom zijn
en het WRR-rapport bevat een groot aantal interessante observaties over
de sociaal-economische ontwikkelingen in Nederland. Maar enige argwaan
blijft geboden en het is in dit verband verhelderend om een eerder
rapport van de WRR na te lezen. Zes jaar geleden verscheen Een
werkend perspectief, waarin de nadruk lag op vergroting van de
arbeidsparticipatie in Nederland. De aanbevelingen liepen toen vooruit
op het regeringsbeleid. De WRR pleitte voor aanpak van de WAO, waartoe
het kabinet-Lubbers/Kok een half jaar later besloot. Andere
aanbevelingen - verlaging van het minimumloon, beperking van de algemeen
verbindend-verklaring van CAO's, lagere sociale premies, beperking van
de VUT - kwamen moeizamer of niet tot stand. Maar het WRR-rapport droeg
onmiskenbaar bij aan de politieke omslag in het denken over
sociaal-economische hervormingen.

DE KERNGEDACHTE uit 1990, arbeid als vorm van maatschappelijke
participatie, is in het nieuwe rapport verder uitgewerkt. Deze
continuiuml;teit is niet verwonderlijk omdat beide rapporten tot stand
kwamen onder leiding van prof.dr. H.P.M. Adriaansens. Het nieuwe rapport
komt in ieder geval op een uitstekend moment. Terwijl het goed gaat met
de economie en de overheidshuishouding voor het eerst in decennia weer
op orde is, groeit de aandacht voor armoede en armoedebestrijding. ,,We
willen de euforie van de Troonrede en de aanklacht van bisschop Muskens
met elkaar verbinden'', zei Adriaansens naar aanleiding van de
publicatie van Tweedeling in perspectief.

Het rapport rekent af met een aantal populaire opvattingen over armoede
in Nederland. Niet de groep achterblijvers groeit, maar de kloof tussen
een kleiner wordende groep probleemgevallen en de rest van de
samenleving. Bovendien haalt de WRR hard uit naar de jaren zeventig,
voor velen nog altijd de glorietijd van de maakbare samenleving, de
sturende overheid en de jaren waarin Nederland de gelijkheidsidealen het
dichtst genaderd is. In die bejubelde jaren zeventig, stelt de WRR vast,
begon ,,een diep dal'' van maatschappelijke ongelijkheid.

De oorzaken waren enerzijds de afbraak van traditionele werkgelegenheid
voor (mannelijke) kostwinners en anderzijds het begin van de toetreding
van vrouwen op de arbeidsmarkt. In de economische malaise van de jaren
zeventig werden de gevolgen van een krimpende arbeidsmarkt en stagnerend
inkomen opgevangen door de groei van de sociale zekerheid. Uitkeringen,
stelt de WRR vast, werden ,,een normale vorm van inkomstenverwerving''.
Het dieptepunt van de arbeidsparticipatie in Nederland lag, ondanks de
geleidelijk groeiende deelname van vrouwen aan het arbeidsproces, in het
midden van de jaren tachtig. Nog slechts de helft van de bevolking in de
arbeidzame leeftijd verrichtte toen nog betaald werk.

DE OMSLAG IS geleidelijk gekomen en van het grote aantal maatregelen dat
valt samen te vatten onder de noemer 'aanpassingen' worden nu de
vruchten geplukt. Nederland heeft, in Europees perspectief, een relatief
lage werkloosheid, al blijft de totale inactiviteit nog altijd hoog. Ter
bestrijding van een kloof tussen inactieven, afhankelijk van
uitkeringen, en actieven zal daarom de arbeidsparticipatie verder
vergroot moeten worden. In dit verband komt de WRR met zijn pleidooi
voor ,,een versterkte beweging in de richting van de waarborging van
werk''.

Deze gedachte leidt tot een radicaal standpunt van de raad: ,,De
waarborg van werk zal niet alleen uitgroeien tot kerntaak van de
overheid, maar het zal tevens de grondslag vormen van het toekomstige
stelsel van sociale zekerheid.'' Wie deze zinsnede op zich in laat
werken, komt tot een orwelliaans toekomstscenario van een overheid die
op megaschaal collectieve banen schept en die de sociale zekerheid
omvormt tot een instrument van arbeidsplicht. De financieuml;le
waarborg, het traditionele uitgangspunt van de sociale zekerheid, zou
plaats moeten maken voor de waarborg van werk.

De minister van Sociale Zaken mag met deze conclusie gelukkig zijn, het
is een gevaarlijk idee. Werkgelegenheid, ook laaggeschoold werk zoals
uit recent CBS -onderzoek blijkt, is in eerste instantie een zaak van de
markt en niet van Melkertbanen. Ondanks de onmiskenbaar prikkelende
invalshoeken begeeft de WRR zich dan ook op riskant terrein door zich
zozeer te vereenzelvigen met eacute;&eacute;n onderdeel van het
regeringsbeleid en een aantal eigen aanbevelingen uit het rapport van 1990 te ne
geren. Dat kan nooit de
bedoeling zijn van een onafhankelijke wetenschappelijke raad.

  








