


De kleine club





In september 1991 trok de toenmalige thesaurier-generaal van het
ministerie van Financieuml;n te ver voor de Europese karavaan uit. In
de onderhandelingen over de EMU presenteerde Cees Maas in Brussel een
plan voor de formalisering van twee snelheden in de monetaire unie. De
Italianen waren woedend en minister Kok haastte zich om zijn
topambtenaar terug te fluiten. Maar enkele maanden later, in Maastricht,
werd de mogelijkheid van een monetaire tweedeling in Europa toch in het
verdrag opgenomen.


Terughoudendheid ten aanzien van de directe deelname van alle
EU-lidstaten aan de monetaire unie heeft het Nederlandse beleid van meet
af aan gekenmerkt. Ook Duitsland - zie het publieke wantrouwen tegen de
euro - wil niet hard van stapel lopen: een homogene groep aan het begin
van de EMU biedt een sterkere uitgangspositie voor prijsstabiliteit en
een harde munt. Dit standpunt lijkt op het ogenblik door de
financieuml;le markten bevestigd te worden. Het vermoeden dat de EMU
als een club met veel landen zou kunnen beginnen, heeft de Europese
munten de afgelopen weken onder druk gezet.

De toelatingscriteria in het Verdrag van Maastricht waren impliciet
bedoeld om een aantal zwakke-muntlanden buiten de eerste groep te
houden. Maar nu Duitsland en Frankrijk de grootste moeite hebben om aan
de begrotingscriteria te voldoen, wordt de selecterende waarde van de
criteria in twijfel getrokken. Het stabiliteitspact dat vorige maand op
de top in Dublin is aanvaard, beoogt extra zekerheden te stellen, niet
alleen aan het toekomstige begrotingsgedrag, maar ook aan de selectie
van de EMU-landen.

 




IN DE ZUIDELIJKE lidstaten wordt deze verharding met argwaan gevolgd.
Een informele uitlating van minister Zalm, deze week in gesprek met
correspondenten uit lidstaten van de EU, dat hijgerig gedrag van landen
om de begrotingsnorm van Maastricht te halen nergens goed voor is, werd
dan ook onmiddellijk uitgelegd als een noordelijke blokkade tegen hun
deelname aan de EMU. Zo'n blokkade zal niet alleen door Nederland kunnen
worden opgeworpen want het besluit, begin 1998, welke lidstaten door
mogen naar de laatste ronde, wordt met een gekwalificeerde meerderheid
genomen. Nederland zal dus op zijn minst een alliantie met andere landen
moeten aangaan. Van hun kant kunnen lidstaten die zich buitengesloten
voelen, proberen om de overige EU-landen schaamteloos onder druk te
zetten met blokkades.

De EMU is een monetair avontuur zonder precedenten. Alleen al daarom is
het belangrijk om te beginnen met een homogene groep van landen die
vertrouwd zijn met een jarenlang bewezen monetair beleid gericht op
prijsstabiliteit. Als de Europese Centrale Bank (ECB) eenmaal een
degelijke reputatie heeft gevestigd, kunnen lidstaten met een traditie
van zwakkere munten gemakkelijk worden opgenomen. Omgekeerd bestaat het
risico dat landen die te vroeg deelnemen en geconfronteerd worden met
een hard monetair beleid van de ECB, voor hun haast moeten betalen in de
vorm van hoge werkloosheid en hoge rente.

 




EEN VERSTANDIGE oplossing ligt voor de hand. In Dublin is ook
afgesproken hoe de monetaire verhoudingen zullen zijn tussen deelnemers
en niet-deelnemers in de EMU. Dit nieuwe Europese wisselkoerssysteem kan
als de opmaat naar volledige deelname aan de EMU dienen. Daarnaast biedt
de kalender van invoering van de euro uitkomst. Weliswaar zal een aantal
landen besluiten om op 1 januari 1999 hun wisselkoersen onlosmakelijk
aan elkaar te koppelen, de feitelijke invoering van eurobiljetten en
-munten is pas in het jaar 2002. Tegen die tijd kunnen landen die
aanvankelijk niet meedoen, aanhaken. De ECB heeft dan drie jaar de tijd
om zijn reputatie te vestigen en voor de latere deelnemers is geen
sprake van politiek-monetair gezichtsverlies.











